Alles over vrijmetselarij en genootschappen: geschiedenis, reviews, weblinks.

dinsdag 17 juni 2014

In De Financieel-Economische Tijd van 2 september 1995 schreef Jef Abbeel een bijzonder uitvoerig artikel over de meest actuele literatuur over vrijmetselarij in Vlaanderen. Alle bekende namen en titels passeerden de revue: van pater Dierickx tot Apostel. Interessant hierbij was dat de samensteller ook al over de grenzen keek, naar John Hamill bijvoorbeeld. Maar hij had ook David Stevenson (The Origins of Freemasonry) en Margaret Jacob (The Radical Enlightenment) kunnen vernoemen. Hieronder volgt het hele artikel. 



Vrijmetselarij: het einde van de mythes.

In 1967 schreef de jezuïet Michel Dierickx het boek De vrijmetselarij, de grote onbekende. Iedereen kende Dierickx toen als de samensteller van de brave Historia-reeks, die ruim drie decennia van vader op zoon en van moeder op dochter gebruikt werd in de meeste middelbare scholen. In die jaren was het voor velen niet evident dat een boek over de loge geschreven werd door iemand uit het katholieke kamp. Hoewel: zijn orde-genoot Louis Van Bladel was toch ook één van onze Marx-specialisten. Het kon dus wel. Toch duurde het twintig jaar eer er nieuwe populaire literatuur over de vrijmetselarij verscheen. Nu lijken de persen niet meer te stoppen. Dierickx zorgde in alle geval voor een betrouwbaar historisch overzicht van een organisatie die toen haar 250 jaar bestond, ondanks kerkelijke veroordelingen in 1738, 1751, 1838 en 1917.

De schrijver had goede contacten met het Grootoosten der Nederlanden. Eigenlijk was hij het niet eens met de kerkelijke uitspraken: hij vond dat deze banvloeken enkel konden slaan op de afgescheurde, antikerkelijke verenigingen, die zich met de politiek bemoeiden, zoals bijvoorbeeld het Grootoosten van België deed vanaf het midden van vorige eeuw, o.l.v. ULB-stichter Théodore Verhaegen. Dierickx kwam ruim een kwarteeuw geleden tot de conclusie dat de reguliere loge de Kerk en het burgerlijk gezag niet bestrijdt. Die loge telde (wereldwijd) 6 miljoen leden, terwijl de afgescheurden slechts met 60.000 waren. Toch duurde het nog tot 1983-1986 voordat de Kerk haar standpunt aanpaste: sindsdien kunnen katholieken zonder gewetensproblemen toetreden tot de reguliere loges, en dit gebeurt ook in toenemende mate.

Had Dierickx (bijna) alles gezegd? Er volgde in Vlaanderen in ieder geval een relatieve stilte van 21 jaar, als we enkele brochures, artikelen in de gespecialiseerde vakliteratuur en het Encyclopedisch Woordenboek van de Belgische en Nederlandse vrijdenkers (H. Dethier e.a., 1979/1982) buiten beschouwing mogen laten. Het boek van Dierickx werd in bijna alle bibliografieën geciteerd, maar toch werd het geen bestseller: voor de katholieken kwam het kennelijk nog wat vroeg en bij vele vrijzinnigen was er ook nog niet zoveel belangstelling voor een publicatie uit het andere kamp.
Pas vanaf 1988 werd er veel gepubliceerd. En aan deze schrijfvloed is tot nu toe geen einde gekomen. Mogelijk komt dit overzicht dus nóg te vroeg, want er is minstens nog één boek op komst, van Fons Roeck. Er is ook een lezerspubliek voor, want menige titel is al uitverkocht.

We bespreken de bekendste titels, grotendeels in chronologische volgorde. We beginnen dus met Michel Huysseune Vrijmetselarij. Mythe en realiteit (2). Hij besteedt veel aandacht aan de complexe geschiedenis en aan de interne verscheidenheid. De mythevorming rond de vrijmetselarij schrijft hij toe aan haar streven om bewust een uiterst discreet bestaan te leiden. Hij laat Belgische vrijmetselaars persoonlijk getuigen over hun organisatie, over de rol die ze voor hen speelt als ontmoetingsplaats, als half-godsdienstige sociëteit, als elitaire club van vrije mannen (of vrouwen ) of als lobby voor vrijzinnige doelstellingen. Ook de relatie met de Kerk en met de liberale en de socialistische partij komen ter sprake. Vreemd is wel dat Huysseune nergens verwijst naar Dierickx, ook niet in zijn literatuurlijst, die voor de rest wel voorzien is van goede toelichtingen.

De stroom literatuur werd pas echt op gang gebracht door de succesrijke boeken van Piet van Brabant, De Vrijmetselaars (3) en Lexicon van de loge (4). De vraag naar het eerste werk was zo groot, dat het in 1990 vier keer gedrukt werd. Toch is het boek monotoon van layout; het bevat geen namenlijsten, geen index. Journalist en voormalig politiek commentator Van Brabant was medestichter van de Reguliere Grootloge van België (1979), de enige die internationaal erkend wordt. In ons landje is ze de kleinste groep, maar wereldwijd de talrijkste met 93 procent van alle leden.

Van Brabant probeert een ruim publiek te informeren en tegelijk vele nog bestaande vooroordelen weg te werken. Hij leg uit wat het verschil is tussen geheim (wat de orde niet mag zijn) en erg discreet (wat ze wel beoogt) hoe iemand lid kan worden, wat de betekenis is van de bijbel en m.n. van het Evangelie van Johannes, wat begrippen zoals landmerken, opperbouwmeester, inkeer, vijfhoekige ster betekenen en wat de gereedschappen zoals de winkelhaak, waterpas, hamer, passer, schietlood enz. symboliseren.

Je treft ook een aantal persoonsnamen aan, zoals Hiram-Abif, volgens het Oude Testament een wijze koperslager uit Tyrus (p. 93 ), koning Leopold I, Theodore Verhaegen (de fatale vermenger van vrijmetselarij en politiek, p. 112 ). In de niet zo overzichtelijke historische passages lees je ook Franse Revolutie vaak ten onrechte aan de vrijmetselarij toegeschreven wordt en dat ze helaas grote ravage aangericht heeft in de maçonnieke wereld. Je kan er ook de geschiedenis van de Belgische loges uit distilleren en vernemen dat het vrijzinnige en antiklerikale Grootoosten van België (GOB) met ruim 80 loges en 8.000 leden de grootste en bekendste is en ook nu nog invloed tracht uit te oefenen op de politieke besluitvorming (p. 128 - 129).

De auteur eindigt met de adressen van de verschillende loges (in Brussel), de 33 (!) graden in de AASR (Aloude en Aangenomen Schotse Ritus), de vereiste kwaliteiten om lid te worden, de constitutie van de Reguliere Grootloge, de morele voorschriften, gedichten van o.a. de Engelse imperialist Rudyard Kipling en een bibliografie.

Een register ontbreekt helaas. In de selectieve bibliografie missen we bovengenoemd werk van Huysseune (2) en (vooral ) de knappe en stevige dictionaires van Ligou en Faucher ( 5 a + b ).
Ofschoon deze laatste lexica meer een panorama zijn van de vrijmetselarij (a) en van de vrijmetselaars (b) buiten België en m.n. in Frankrijk, maken ze zon sterke indruk en hebben ze zoveel kwaliteiten, dat we niet kunnen nalaten ze hierbij te signaleren. Gelukkig heeft Piet van Brabant zelf ook een lexicon (4) geredigeerd, dat minder omvangrijk, maar ook internationaal getint is en tegelijk veel aandacht schenkt aan de context in België. De ondertitel Handboek voor Vrijmetselaars sluit geen enkele belangstellende uit, maar wijst erop dat de orde zo ingewikkeld is, dat er ook in eigen kring en meer bepaald bij de jongeren een behoefte bestaat aan meer en pasklare informatie. De naar schatting 12.000 logebroeders vormen dus ook een doelgroep van deze publicatie.

Verder beoogt de samensteller met deze 450 begrippen meer openheid te creëren in een tempel die tot nu toe voor velen gesloten leek: de vervolgingen uit het verleden zijn voorbij, zich verstoppen hoeft dus niet meer. Die ruimere kennis en grotere doorzichtigheid moeten dan leiden tot meer interesse en appreciatie vanwege de medemensen. De auteur benadrukt dat clubs zoals de Rotary, Lions, Kiwanis wel door een vrijmetselaar gesticht kunnen zijn, maar verder geen uitstaans hebben met de beweging. De vrouwenloges worden niet echt erkend, maar ze zijn wel in volle expansie. In tegenstelling tot zijn eerste boek, is het tweede aantrekkelijk en tegelijk functioneel geïllustreerd. De begrippen en de gereedschappen worden hier nog eens ordelijk en uitvoeriger verklaard. Bij een volgende druk zou men o.m. ook de volgende begrippen mogen verklaren: Humanistisch Verbond, vrijdenker, vrijzinnigheid. Jammer dat er geen bibliografie bij staat en dat er in de regel niet verwezen wordt naar specifieke literatuur over een bepaald thema.

Een voorbeeld. Wanneer de auteur het thema muziek behandelt (p. 127 - 130) zou hij de geïnteresseerden kunnen attenderen op het boek van Gérard Gefen (6), dat boeiend vertelt over de harmonieuze verhoudingen tussen de muziek en de vrijmetselarij sinds de 18de eeuw. In dit goed gedocumenteerd overzicht vind je muzikale vrijmetselaars uit vooral Frankrijk, Italië, Duitsland, Oostenrijk, Rusland, Finland en de VS. Voor vader en zoon Mozart, voor Haydn, Geminiani, Liszt, Sibelius, Frederik II van Pruisen (koning-fluitist-componist), Van Campenhout (auteur van de Brabançonne) en vele anderen vormden muziek en vrijmetselarij één wereld met talrijke symbolische overeenkomsten. Dit geldt trouwens ook voor de poëzie en de filosofie. (Zowel Gefen als Van Brabant hebben hun twijfels omtrent Ludwig van Beethoven.)

Nog een voorbeeld: de relaties tussen de orde en de katholieke kerk werden grondig bestudeerd door UCL-medewerker Luc Nefontaine (7 a + b); hij schreef weliswaar vanuit de Franstalige context, maar de Vaticaanse canons 2335 uit 1917 en 1347 uit 1983 zijn wereldwijd dezelfde. Nefontaine onthoudt zich van elke vorm van polemiek en pleit voor een vreedzame en serene coëxistentie tussen de kerk en de logebroeders. Leo Apostel (11, p. 53 ) prijst hem als een objectief katholiek historicus.

De boeiendste studie is die van de Brugse industrieel Andries van den Abeele (8). Hij putte zijn informatie uit vele bronnen: de literatuurlijst beslaat tien paginas met commentaar, zodat je meteen weet welke boeken je nog moet lezen; hij voerde ook gesprekken met leden van de loge. Een overeenkomst met Dierickx is alvast dat ze beide tot de katholieke kerk behoren. Een verschilpunt ligt al minstens in hun visie op de ontstaansgeschiedenis: Dierickx meende (zoals iedereen ) dat de vrijmetselarij voortkwam uit de middeleeuwse gilden van bouwvakkers en dat ze daarvan de oude tradities, tekens en andere afspraken voortzette. Van den Abeele kon steunen op de recentere detailstudie van John Hamill (9), conservator en bibliothecaris van de grote loge in Londen.

Hamill toonde aan dat de loge niet is ontstaan uit een omgevormde gilde, maar dat ze een nieuwe vereniging was en dat de stuwende kracht wellicht niet de Schot James Anderson was, maar wel John Théophile Desaguliers (1683-1739), één van de ca. 350.000 Franse hugenoten, die na 1685 hun land moesten ontvluchten, wegens de intolerantie van Lodewijk XIV met zijn fameuze leuze Un roi, une loi, une foi. Ook Leo Apostel pleit voor Desaguliers (11, p. 48).
De volgelingen van Desaguliers ontleenden later hun vergaderritueel wel aan de oude gilden. Van Groot-Brittannië werd de loge overgeplant naar Frankrijk, en van daar naar de rest van Europa. Onze gewesten kwamen in de invloedssfeer van de Romaanse antiklerikale vleugel, die later geleidelijk atheïstisch werd. Maar voorman Verhaegen bleef kerkganger, zo lezen we bij Van Brabant (3, p. 117-118).

Volgens Van den Abeele bestaan er nu zoveel verschillende loges in ons land, dat iedereen wel ergens zijn weg kan vinden: er zijn theïsten, deïsten, atheïsten; linkse en rechtse; Vlaamsvoelende en Belgicistische; strenge en soepele; en ga zo maar door. Het geheimzinnige zit niet meer in de gebruiken en reglementen, maar in de zoektocht naar de zin van het bestaan en in de ledenlijsten; hoewel: niemand (behalve Faucher (5 b), vernoemt zoveel namen (van nog levende personen) als deze auteur. Van den Abeele’s boek is in alle geval het spannendste van heel deze serie of anders gezegd: de auteur toont aan dat men ook over dit onderwerp met gevoel en gedrevenheid kan vertellen. En menig onbevooroordeeld lezer zal pas naar het einde toe door hebben dat hier een katholiek aan het woord is, die met veel begrip en appreciatie over zijn logebroeders schrijft.

Toch volgde er een reactie op dit succesvolle boek: bij dezelfde uitgever verscheen De kinderen van de weduwe (10). De titel verwijst naar de zogenoemde moord op meester Hiram door de Onwetendheid, de Leugen en de Heerszucht. Een team vrijmetselaars noemt Van den Abeele in dit boek een redelijk goed gedocumenteerd katholiek auteur (p. 9). Zij vullen het boek van de profane schrijver aan met hun visie, vooral om de geest en de verjongende sfeer te laten aanvoelen en het klimaat te laten proeven, dimensies die bij buitenstaanders ontbreken, omdat ze vruchteloos zoeken naar datgene wat vrijmetselaars bindt (p. 11-14). In de bibliografie omschrijven ze de boeken van Dierickx, Huysseune en Van den Abeele als volgt: geschreven door niet-vrijmetselaars, met alle gebreken vandien, maar waarover profanen niet zullen struikelen. En dat moeten we bevestigen: wij zijn er inderdaad niet over gestruikeld. Het onbekende schrijverscollectief vertelt met kennis van zaken, in klare taal en met overtuiging over de geschiedenis, de evolutie en uitstraling, de relatie tot de Kerk, de toestand in de Belgische loges, de (eerste) schoolstrijd (ca. 1880), de motieven voor de geheimhouding, de rol van de vrouw; ze weerleggen ook enkele mythes over hun genootschap. Het boek heeft zowel een nuttig-informatief als een apologetisch karakter. Het is jammer dat alleen (indrukwekkende) namen van overleden vrijmetselaars genoemd worden ( p. 153 - 159 ) en dat de auteurs zelfs hun eigen naam niet vermelden. De selectieve bibliografie lijkt met enige haast samengesteld te zijn: enkele interessante titels ontbreken, van andere (b.v. Ligou, nr. 5 ) missen we hier de recentste editie.

Het zwaarste boek is dat van Leo Apostel (11), logelid van 1952 tot 1983. Ondanks het filosofische karakter, is het toch al aan zijn derde druk toe. Het is een herwerkte vertaling van een bundel lezingen, die in 1984 verscheen onder de titel Freemasonry. A philosophical essay. We wijzen even op de belangrijkste hoofdstukken: het vierde hoofdstuk, de geschiedenis van de 18de eeuw tot nu, geeft ook de houding weer tegenover de arbeidersbeweging, tegenover nationale conflicten, interculturele relaties, vrouwen en kerken. Hoofdstukvijf geeft een ontleding van de symbolen, de werkplaats (tempel) en de inwijding in de drie graden (leerling, gezel, meester). Hoofdstuk zes behandelt psychoanalyse conflict- en arbeidssociologie, structuralisme en fenomenologie: één voor één bijzonder moeilijke interpretaties van de Hiram-legende. Zevende hoofdstuk, wijsgerige verklaringen van de vrijmetselarij: na een stuk voorgeschiedenis, geeft de auteur de standpunten weer van Lessing (Verlichting), Herder (Romantiek), Fichte (Wat kan de vrijmetselarij worden en wat zou ze moeten worden?), Goethe (de koninklijke kunst), Krause (een sociologisch-speculatieve poging tot synthese van de beschouwende, activistische, rationalistische en romantische vrijmetselarij), de utopische socialisten (Proudhon), de Kantianen en Roscoe Poud. Hoofdstuk 8 behandelt de breuk tussen vrijmetselarij en wijsbegeerte in de 20ste eeuw, en hoofdstuk 9 gaat over vrijmetselarij in de toekomst: problemen, contradicties, voorstellen tot herbronning.

Apostel is hier weer wat optimistischer dan in de oorspronkelijke Engelse versie, toen hij vreesde dat de orde ten dode opgeschreven was. Nu geeft hij ze weer een kans, mits ze ijverig aan de weg timmert, zichzelf een aggiornamento oplegt, minder krampachtig-defensief reageert, rekening houdt met zijn suggesties. Enkele leunen aan bij de opvattingen van Van den Abeele.

We pikken er hier een aantal uit: geen geheime ledenlijsten, geen geheime adressen van tempels, lagere lidgelden, preciesere inwijdingscriteria, toelating van katholieken, betere vorming van de nieuwe leden, geen tussenkomsten ter bevordering van carrières, publiekelijk stellingname voor pacifisme, multiculturele samenleving, economische rechtvaardigheid en tegen apartheid, doodstraf en levenslange gevangenisstraffen. Het zal nog wel een tijdje duren vooraleer de logebroeders al deze principes overnemen: sommige botsen met de reguliere, andere met de irreguliere orde.

Interessant aan de studie van Apostel is dat hij enerzijds (na 31 jaar lidmaatschap) de loge door en door kent en er dus met kennis van zaken over kan vertellen en anderzijds zich toch gedraagt als een afstandelijk onderzoeker, die, zonder opdringerig te zijn, zijn houding tegenover en zijn adviezen aan de orde in goed verstaanbare taal formuleert.

Apostel verstrekt relatief weinig feitenmateriaal: daarvoor moeten we dus bij Van Brabant, Van den Abeele of de reactie daarop zijn. Apostel beperkt zich verder tot drie graden (i.p.v. 33 ) en hij maakt geen onderscheid tussen regulier en niet-erkend. Een geordende bibliografie ontbreekt helaas: je kan wel wat titels bijeensprokkelen in de vele voetnoten.

Het boek van Karel Poma (12) weegt wat lichter. Poma beschouwt de (liberale) vrijmetselaars niet enkel als de stichters van zijn partij, maar ook als redders van de democratie. Hij noemt grote namen uit het (recente) verleden, de voor- en tegenstanders van de loge binnen het koningshuis, maar we missen de namen van de huidige bewakers van ons democratisch erfgoed. En wie uit de ondertitel (Een politieke benadering) meent te mogen afleiden dat Poma zal antwoorden op de vraag of de logebroeders de politieke macht al dan niet naar zich toe proberen te halen, wordt helaas niets wijzer. Voor de rest is de stijl van Poma direct, kort, krachtig, apologetisch, soms offensief.

We sluiten onze selectie af met het prachtig geïllustreerde album van Erwin Garden, Piet van Brabant e.a.: we appreciëren het vooral omwille van de unieke hoeveelheid didactisch materiaal, nl. ruim honderd fotos. Bovendien geven de samenstellers een heldere kijk op de activiteiten en de organisatie van de Belgische loge(s), enkele gegevens over de initiatie en over de hogere graden, een beeld van de toestand in andere landen en de relaties van de orde tot de buitenwereld, o.m. tot de katholieke kerk. Met hun klare uiteenzetting en met hun rijke collectie beeldmateriaal richten ze zich zowel tot de leken als tot hun ordebroeders.

Samenvattend kunnen we concluderen dat Andries van den Abeele, Piet Van Brabant en Erwin Garden voor de meest informatieve en de meest toegankelijke geschriften gezorgd hebben. En met de zopas overleden Leo Apostel kunnen we stellen dat er nog een lange weg afgelegd moet worden eer alle mensen broeders zullen zijn. We willen deze bijdrage aan hem opdragen.

(1) Michel DIERICKX,De vrijmetselarij, de grote onbekende, 1717-1967. Een poging tot inzicht en waardering Antwerpen, De Nederlandsche Boekhandel, 1967 (1ste druk), 1972 (2de druk), 264 blz. (uitverkocht)
(2) Michel HUYSSEUNE, Vrijmetselarij. Mythe en realiteit Berchem, EPO, 1988, 216 p.; 698 fr. (uitverkocht)
(3) Piet VAN BRABANT, De Vrijmetselaars, Antwerpen, Hadewijch, 1990 (1 ste druk),1992 (6de druk), 152 blz., 595 fr.
(4) Piet VAN BRABANT, Lexicon van de loge. Handboek voor Vrijmetselaars, Antwerpen, Hadewijch, 1993, 207 blz., 609 fr.
(5a) Daniel LIGOU, Dictionnaire de la franc-maçonnerie, Paris, Presses Universitaires de France, 1991
(5b) Jean-André FAUCHER, Dictionnaire historique des francs-maçons, Paris, Perrin, 1988
(6) Gérard GEFEN, Les musiciens et la franc-maçonnerie , Paris, Librairie Artheme Fayard, 1994, 232 p., 125 Fr.fr.
(7) Luc NEFONTAINE, (a) Eglise et franc-maçonnerie, Paris, Editions du Chalet, 1991, 160 p., 89 Fr. fr.
(b) La franc-maçonnerie , Paris, Editions du Cerf, 1990
(8) Andries VAN DEN ABEELE, De kinderen van Hiram. Vrijmetselaars en vrijmetselarij , Brussel, Roularta, 1991, 319 p., 750 fr. (uitverkocht)
(9) John HAMILL, The Craft. A history of English Freemasonry, London, Crucible, 1986
(10) (Trigonum Coronatum), De kinderen van de weduwe. Vrijmetselaars over vrijmetselarij, Brussel, Roularta, 1992, 246 p., 645 fr.
(11) Leo APOSTEL, Vrijmetselarij. Een wijsgerige benadering, Antwerpen, Hadewijch, 1992 (1ste druk), 1995 (3de druk), 284 p., 890 fr.
(12) Karel POMA, Actie Vrijmetselaren. Een politieke benadering van de moderne vrijmetselarij Brussel, Roularta, 1995, 115 p., 695 fr.
(13) Erwin Piet VAN BRABANT e.a., Vrijmetselarij in woord en beeld, Antwerpen, Parsifal, 1994, 270 p., 990 fr.



Copyright De Tijd

Geen opmerkingen:

Een reactie posten