Alles over vrijmetselarij en genootschappen: geschiedenis, reviews, weblinks.

zondag 29 mei 2011

Charles Porset (1944-2011)

Op 25 mei overleed Charles Porset, een van de grote namen uit het academisch onderzoek naar vrijmetselarij. Uit de uitvoerige in memoriam van Cécile Révauger, waarmee hij meermaals samenwerkte, heb ik een aantal punten voor deze blog overgenomen.
Charles Porset werd geboren in 1944 als zoon van Spaanse vluchtelingen en grootgebracht in Bordeaux. Zeer jong werd hij als agrégée de philosophie opgenomen in het Centre natrional de Recherche scientifique, de Franse tegenhanger van het FWO. Vanaf dan specialiseerde hij zich, verbonden aan de Sorbonne, in de geschiedenis en filosofie van de Verlichting en de 18e eeuwse vrijmetselarij. De grote verlichte wijsgeren zoals Voltaire, Diderot en Rousseau kenden geen   geheimen voor hem. Op het vlak van de geschiedenis van de vrijmetselarij bevond Porset zich in Frankrijk op gelijke hoogte als Daniel Ligou en Pierre Chevalier, die eigenlijk de aanzetten tot deze vorm van historisch onderzoek gaven. Het zou onbegonnen werk zijn een opsomming te geven van de artikels, conferentiebijdragen en boeken die Porset schreef of waaraan hij zijn bijdrage leverde. Maar wie toch meer wil weten kan hier klikken. Misschien toch een referentie: Le Monde maçonnique des Lumières, dictionnaire proposographique, dat hij samen met Cécile Révauger samenstelde, en ruim 150 auteurs over  2500 pagina’s zal bevatten. Het enorme werk is al jaren bezig en was in de laatste fase terecht gekomen.
Porset was lid van een loge onder het Grootoosten van Frankrijk en ook betrokken bij de hogere graden. Hij heeft zich daar altijd ingezet voor de toelating van vrouwen in deze exclusief mannelijke obediëntie en kon het nog meemaken dat de eerste vrouwen effectief werden ingewijd, inclusief zijn eigen dochter.
Enkele dagen na zijn overlijden werd de ICHF aan hem opgedragen. Ik heb Porset een aantal keren ontmoet; op een van de studiedagen aan de Sorbonne dacht hij om een of andere reden dat ik een Rus was. Een tijd geleden sprak hij op de VUB op de Verhaegenleerstoel; toen de spreker na hem een uiteenzetting in het Engels begon stapte Porset na een tiental minuten op om op het grasveld voor het Convivium een sigaar te gaan roken. Zijn kennis van het Engels was te beperkt om te blijven zitten. Ook dat illustreerde Porset ten volle. 

donderdag 12 mei 2011

Karl Grün: Les Francs-Maçons (1872)

Karl Grün (1843-1890) was een uit Duitsland afkomstige natuurwetenschapper, apotheker, journalist en liberaal politicus, stichter van de Société royale de Botanique de Belgique. Als vrijmetselaar was hij lid van de Luikse werkplaats La Parfaite Intelligence et L'Etoile réunis, was daar ook bestuurslid en enige tijd Grootredenaar bij het Grootoosten van België. 
In 1872 schreef Grün de satire Les francs-maçons op de melodie Légende de la mère Angot uit de intussen volledig vergeten opéra comique La fille de madame Angot van de al even vergeten Charles Lecocq. De oorspronkelijke melodie staat op YouTube.

Dans leur sombre caverne, on voit les francs-maçons, sous l’éclat des lanternes, danser des rigodons ; puis au sein des ténèbres, ils mangent tout vivants, dans des banquets funèbres, de beaux petits enfants.

Refrain :
Laissez dire, laissez rire de nos étranges façons : sur la terre, toute entière commandent les francs-maçons ! 


Les maçons, c’est visible, sont des gens sans honneur ; leur morale nuisible doit pervertir le cœur ; dans leur triste demeure, je le dis in-petto, parfois jusqu’à deux heures, on joue au domino.

Leur chef, dit Vénérable, est un affreux coquin, qui fit avec le diable un accord clandestin : il lui porte des âmes à roussir dans l’enfer, pour quelques francs infâmes fondus par Lucifer.

Regardez donc la mine de ces affreux bandits : le bonheur illumine les frères réunis ; ces citoyens honnêtes ne feraient pas de mal aux plus nuisible bêtes, ministre ou cardinal.

Il me reste à vous dire, mesdames, quelques mots : vous n’avez plus à rire etant de nos complots : si nous allons au diable, vous irez avec nous ; quelle fête agréable quand nous rôtirons tous !

Belgische politiek voor dummies

Ik kan de relatieve windstilte op deze blog geheel verantwoorden. De afgelopen maanden heb ik al mijn vrije tijd  aangewend om een nieuw boek te schrijven, dat op 15 augustus in de winkel zal liggen. Maar om die datum te halen moet het manuscript nu zo snel als mogelijk naar de uitgever. Wie meer info wil - of nog goede tips heeft  - mag mij altijd mailen: er is nog even tijd. 

maandag 21 februari 2011

Recensie Mozart in DeSingel, 16 februari 2011

Toen ondergetekende in zijn studentenjaren zat begaf deze zich minstens een keer per twee weken naar Bozar (dat toen nog gewoon het Paleis voor Schone Kunsten heette), de Koningin Elisabethzaal of  DeSingel. Trouw van ieder concert een programmaboekje bijhoudend levert dat twee enorm zware verhuisdozen op die nu op mijn zolder liggen. Grote namen en orkesten konden niet langskomen zonder dat ik ergens op een goedkope plaats in de zaal aanwezig was: Bernard Haitink die Mahler 9 dirigeerde met de London Philharmonic; John Eliot Gardiner die Don Juan en de Enigma Variations deed met de Wiener Philharmoniker en een andere keer Janacek’s Sinfonietta met The National Youth Orchestra of Great Britain; sir Georg Solti die een laatste keer in Brussel verscheen, toen met Bruckners vierde symfonie, uitgevoerd door de London Symphony; Ivan Fischer met een onvergetelijke concertante Blauwbaards Burcht; Simon Rattle, Kurt Masur, Lorin Maazel (Zarathustra – uiteraard!), Riccardo Chailly, en natuurlijk mijn grote idolen Pierre Boulez, Esa-Pekka Salonen en Valery Gergiev. Sinds ik een schande oproepend burgerlijk bestaan leidt – lees: getrouwd, kinderen, huis op woonkrediet, gezinswagen op de oprit – zijn mijn concertbezoeken tot een uiterste zeldzaamheid gereduceerd. Die keren dat ik ga luisteren zijn dus, misschien nog meer dan vroeger, momenten om echt heel lang naar uit te kijken. 
Enkele dagen geleden geraakte ik op die manier in DeSingel, waar Sigiswald Kuijken met La Petite Bande een volledig Mozart-programma bracht. Tien jaar geleden zou ik nooit uitsluitend op Mozart afstappen. Zijn opera’s waren iets anders: Don Giovanni was een van de eerste opera’s die ik als 16-jarige, zonder dat iemand mij daartoe gebracht had, ging bekijken. Eigenlijk probeer ik altijd om de Mozarts mee te pikken die in de Belgische operahuizen worden opgevoerd: ik zou uren kunnen bezig zijn over het theater van de drie Da Ponte’s, of de dubbelzinnigheid van Zauberflöte, of de moderniteit van Entführung. Maar in DeSingel was er louter instrumentaal werk: de 39e en 41e symfonie en het 26e pianoconcerto. De laatste maanden ben ik veel met Mozarts laatste drie symfonieën bezig geweest: de opnames die ik heb zijn, bij wijze van spreken, grijsgedraaid. Hoe ouder ik word, hoe meer ik trouwens met Mozart – en ook met Haydn – bezig ben. Iets onverklaarbaars trekt mij daartoe aan. Ik trap een open deur in wanneer ik verwijs naar Mozart’s logelidmaatschap. Er bestaat een beroemd schilderij waarop een laat-18e eeuwse logebijeenkomst in Wenen staat afgebeeld. Ik gebruik de afbeelding nu en dan eens op een voordracht. Rechts in de benedenhoek zit Mozart. Correctie: zou Mozart zitten. De figuur lijkt in elk geval enorm op hem, maar of het hem daadwerkelijk is kan niet met zekerheid worden gezegd. Ik dank de inleider van het concert in DeSingel om mij op deze nuance attent te maken.  Ik heb trouwens ook altijd het verhaal gehoord dat naast Mozart Emmanuel Schikaneder, librettist van Zauberflöte, zou zitten. Beiden hebben om de hals een winkelhaak, symbool van het Achtbare Meesterschap. Hoe dan ook zit Zauberflöte vol met maçonnieke verwijzingen, en zijn er nog een hele hoop andere referenties aanwezig waar wel wat meer voorkennis voor nodig is om ze juist te kunnen plaatsen. 
Mozart was in de laatste jaren van zijn leven op muzikaal vlak veel met vrijmetselarij bezig. Speciaal voor de loge gecomponeerde muziek ontstond in die periode, en ook de beide symfonieën zouden maçonniek geïnspireerd zijn. De 41e opent met drie akkoorden, verwijzend naar zwaar symbolisch geladen ‘3’ in vrijmetselarij. De laatste seconden van de symfonie doen trouwens ook heel veel denken aan het slot van de eerste akte van Zauberflöte – beide fragmenten staan trouwens ook in dezelfde toonaard. Het gebruik van bepaalde toonaarden moet ook als geen toeval worden beschouwd. Wanneer Mozart in mi b-groot componeert verwijst hij naar vrijmetselarij; Do-groot en do-klein refereren respectievelijk naar licht en duisternis. Losstaand daarvan is de 41e symfonie het meest perfecte orkestwerk uit de ‘klassieke muziek’ vóór 1789. Alles leidt naar de finale waardoor het werk proto-romantisch wordt. De populaire bijnaam ‘Jupiter’ werd pas lang na Mozart eraan gegeven, maar illustreert de grootsheid van het werk. Ook de beide voorafgaande symfonieën werden in dezelfde periode – 1785 – gecomponeerd en vormen eigenlijk een drieluik. Het concert opende met de 39e, door La Petite Bande op authentieke wijze gebracht. Een klein orkest dus: weinig strijkers (slechts 5 eerste violen en 2 bassen), telkens 1 fluit, bassethoorn of klarinet en hobo, trompetten zonder ventielen en barokpauken. Deze zijn heel wat kleiner dan de ‘romantische’ pauken – je zou ze haast wat oneerbiedig het kindermodel kunnen noemen. Dirigent Kuijken heeft naam en faam gemaakt met deze authentieke uitvoeringswijze, die het best aansluit bij Mozart’s oorspronkelijke opvattingen. Toch zijn er grenzen. Indien het echt authentiek zou zijn zou je dit orkest met dit repertoire niet in een grote concertzaal mogen verwachten, maar wel in een bescheiden salon, met niet al te veel toeschouwers. Qua kracht en volume lukte dit nog wel: vooral in de fantastische finale liet Kuijken het orkest een paar prachtige akkoorden maken. Maar de klanken bleven vaak op het podium hangen zodat je niet altijd ten volle het hele plaatje kon horen. Problematischer was het pianoconcert, gebracht door een niet echt geïnspireerde Luc De Vos. Het is interessant te weten dat nummer 26, nicknamed ‘Kroningsconcert’, maar in de kern van Mozart zelf is. De melodielijn is volledig teruggevonden, maar voor de pianopartij enkel maar de rechterhand, en voor het orkest alleen maar voor de strijkers. Er zijn geen kadenzen, en de uitvoerders moeten zelf maar zien welke akkoorden de andere orkestleden mogen produceren. Kuijken nam intussen plaats als eerste violist waaruit hij dan de (beperkte) orkestbegeleiding aanvoerde. De keuze van een pianoforte, die geen pedalen heeft (die authentieke uitvoeringspraktijk, weet u wel), kwam de verstaanbaarheid zeker niet ten goede. Een heel eerste deel heb ik, vanaf de 10e rij, serieuze moeite moeten doen om een totaalklank te kunnen horen. De pianoforte – opnieuw een kindermodel – ging in de tutti-passages volledig verloren. Lees: je hoorde er niets van. Maar ook in de solomomenten was de afstand tussen het orkestvolume, dat zeker niet de full monty deed, en het volume van de solist te groot. De grenzen van de authentieke uitvoeringspraktijk waren hiermee overschreden. Ofwel kies je voor deze formule in een kleine zaal ofwel voor een ‘modern’ orkest en piano in deze ruimte. Het 26e pianoconcerto is trouwens maar een saaie bedoening, authentiek uitgevoerd of niet. 
Na de pauze volgde de 41e. Net zoals in de 39e opnieuw veel slordigheden, inzetten die de mist ingaan (het menuet was een ramp), koper dat ernaast zit (wat hun vergeven is wegens ontbreken van ventielen) en zo meer. Het tweede deel was enkele seconden bezig toen een eerste viool zijn snaar brak. De rest van het deel kon het publiek volgen hoe je een snaar vervangt en die al krakend aanspant. De uitgevoerde muziek vervalde daardoor tot sfeerschepper. De geweldige finale, waar ook hier weer Kuijken duidelijk blijk van visie laat gelden, leidde naar een dubbele fuga waar Mozart al zijn thema’s op elkaar stapelde om, binnen de duur van slechts enkele seconden, van georganiseerde chaos terug tot orde te komen. In deze uitvoering was de chaos zeker aanwezig. Het publiek applaudiseerde beleefd; de tent werd zeker niet afgebroken van enthousiasme. Middelmatige uitvoering van een subliem werk, afsluiter van een middelmatig concert.

W.A. Mozart: Symphonie nr.39 – Pianoconcerto nr.26 ‘Kroningsconcert’ – Symphonie nr.41 ‘Jupiter’. La Petite Bande, Luc De Vos (piano), Sigiswald Kuijken (dirigent). Gehoord in De Singel, Antwerpen, op woensdag 16 februari 2011. Programmaboekje hier.

De finale van de 41e - English Chamber Orchestra - Jeffrey Tate:

zaterdag 19 februari 2011

Opendeur Le Septentrion

De beroemde Gentse loge Le Septentrion in de Koperstraat houdt open deur. Een geleid groepsbezoek kost €5 per persoon. Inschrijven kan via de gelegenheidswebsite.


Update:
Ondergetekende werd door het tijdschrift Trends geïnterviewd om zijn mening hierover te geven:

vrijdag 11 februari 2011

André Hanou (1941-2011)

Enkele dagen geleden overleed de Nederlandse filosoof en theoloog André Hanou. Hanou was professor aan de Universiteit van Amsterdam, bestuurslid van de Stichting OVN (Onderzoek naar Vrijmetselarij in Nederland) en auteur van tal van publicaties waarin het symbolische, esoterische en wijsgerige aspect van vrijmetselarij centraal stond. Daarnaast was hij een actief blogger. Een uitvoerig en sereen in memoriam is te lezen op de blog van de OVN.

dinsdag 25 januari 2011

Baas Politiek (1884)

René Artois Felix van de Sande (1824-1890)
In de reeks 'schandalig miskende literaire genieën uit 's lands verleden' treffen we vandaag Felix van de Sande. Van de Sande is totaal in de mist van de geschiedenis verdwenen, en slechts enkelen herinneren zich hem als een van de stichters en de eerste directeur van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel in de jaren 1870, toen nog 'Nationaal Tooneel' geheten. In de jaren voordien was de man de steunpilaar van het Brussels en Nederlandstalig amateurtoneel. Ondergetekende heeft een en ander over van de Sande (en het ontstaan van de KVS en de maçonnieke belangen erin) geschreven in de AMVB-bundel Ruimte en Spel. Samengevat komt het erop neer dat van de Sande tijdens zijn uren een saaie kantoorjob vervulde - voor zover de uitdrukking 'kantoorjob' van toepassing is voor medio 19e eeuw - en daarna als amateurtoneelspeler op de planken stond en zelf ook nog een reeks van theaterteksten schreef. Taalkundige spitsvondigheden en complexe en meerlagige plots moesten daarin echter niet gezocht worden. Vaak ging het om komedies, kluchten en volksverheffende historiserende stukken, waar de theaterganger een beetje werd opgevoed over het verleden. Daarbij was het enigszins de bedoeling dat het publiek in de woorden en handelingen op de scène de link naar de eigen tijd kon leggen. In die tijd waren stukken over de Spaanse overheersing, met haar meedogenloze katholieke ideologie, vrij populair - niet toevallig in een tijd waar een gematigde katholieke regering het land leidde maar waar extreme denkkaders onder het mom van het ultramontanisme in opmars waren. Voor alle duidelijkheid: we zijn dus in de jaren 1870. Tussen 1878 en 1884 zouden Frère-Orban, Van Humbeeck en Bara als liberale regeringsleiders lelijk huishouden in de katholieke milieus. De Schooloorlog woedde in alle hevigheid, de diplomatieke banden met het Vaticaan werden opgeblazen en als reactie mobiliseerden de katholieken via hun verenigingen en instituten massaal. Het resultaat was een gigantische liberale verkiezingsnederlaag in 1884: de liberalen zijn de klap eigenlijk nooit meer te boven gekomen. Maar goed, de liberaal gezinde van de Sande schreef in 1884 de theatermonoloog Baas Politiek, waarin de politieke kweddelen aan de kaak werden gesteld. De korte monoloog, door de auteur zelf omschreven als een boertige alleenspraak, eindigde met een slotrondo, waarmee de spreker zijn discours samenvatte. Hier gaan we:

’t Gaat er in ons land van katholiek en liberalen,

Heel ons land is mank, en al wat handelheet is ziek,
Van dit harrewarren moet de burger’t al betalen
En hij blijft zoo vet met liberaal als katholiek.


’t Spel dat gaat verkeerd: wie niet en heeft die moet betalen,
Rijkaard heeft het al en hij betaalt niet, ’t is komiek,
En dit blijft bestaan bij katholiek en liberalen,
En dit blijft bestaan, zoowel bij de een’als de ander kliek.

Ja, ik zou gewis het boeltje’t onderst boven keeren,
Kwam ik aan het roer de rijkaard schoot in zijnen zak,
‘k zou monsieur Rotschild het binnenscharren wel verleeren
En ik zette Susken Droogenbrood op zijn gemak.


En betaalde men voor doozenbroodjes met korenten,
Chocolad’, goudron en ander apothekerij,
Ik belastte ook de kerk en de sacramenten
En de francmaçons, maar de jenever liet ik vrij!

(Slotrondo uit ‘Baas politiek’ (boertige alleenspraak) door Felix van de Sande, Antwerpen, Lodewijk Janssens, 1884, p.10.)