Alles over vrijmetselarij en genootschappen: geschiedenis, reviews, weblinks.
Posts tonen met het label kritieken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kritieken. Alle posts tonen

woensdag 12 januari 2011

Grande Loge nationale française

Onder het motto: ‘het komt voor in de beste families’ wil het ook wel eens in het maçonnieke huishouden er minder broederlijk aan toe gaan. Maar wat er heden ten dage in Frankrijk gebeurt slaat wel alles. Kort samengevat: in België zijn de blauwe graden in de vrijmetselarij vertegenwoordigd door zes Obediënties – GOB, GLB, DH, VGLB, Lithos en RGLB – waarvan alleen de laatste van de Engelse Grootloge het keurmerk van regulariteit heeft gekregen. Ik heb het nog niet over de al anderhalf jaar in opbouw zijnde Grande Loge mixte de Belgique en de andere koepels, die meestal vanuit het buitenland werken, maar laten we deze nu even buiten beschouwing. Als u dacht dat dit nogal gecompliceerd was moeten we even naar Frankrijk kijken. Daar zijn er een dertigtal Obediënties. De Grande Loge de France, de Grande Loge féminine de France, de Grande Loge mixte de France, alsook de Grande Loge française de Misraïm – die niet te verwarren is met de Grande Loge française de Memphis-Misraïm – zijn slechts enkele namen. De grootste koepel is echter het Grand Orient de France, dat we hier gemakkelijkheidshalve GODF gaan noemen. Oudste van alle Franse Obediënties telt het GODF ruim duizende werkplaatsen met een totaal van 47 000 broeders. De tweede op de lijst, altans qua omvang, is de Grande Loge nationale française (GLNF). Beiden staan uitsluitend open voor mannen – hoewel er op het vlak van het GODF louter technisch gezien vandaag niet meer klopt – maar de GLNF is wel regulier. Met andere woorden, de United Grand Lodge of England (UGLE) erkent de GLNF als de ware vertegenwoordiger van de maçonnieke traditie in Frankrijk. Alle andere Franse Obediënties hebben dat keurmerk niet – dat wordt trouwens maar voor één koepel per nationaal grondgebied uitgereikt. Die andere obediënties hebben zich eigenlijk altijd van hun reguliere evenknie gedistancieerd.
De Grootmeester wordt er voor 5 jaar verkozen, dus 2 jaar langer dan gebruikelijk. ‘Verkiezing’ is niet echt de correcte uitdrukking: het is beter om van ‘aanduiding’ te spreken. Hij wordt bijgestaan door het Soeverein Grootcomité, waarvan de leden door de Grootmeester zijn benoemd; een beetje dus zoals de paus zijn kardinalen creëert. Tot de jaren 1970 stelde de GLNF niet zo veel voor met slechts een paar duizend leden. Maar op drie decennia tijd is haar omvang explosief toegenomen, in zulke mate zelfs dat de GLNF zelf in 2009 beweerde over 1400 loges en 42.000 te beschikken. Je kan moeilijk dit laatste cijfer controleren, maar zelfs indien dit overdreven zou zijn kan dit de enorme toename van ledenaantallen niet verhullen. Maar hoe kan je dit verklaren? Het kan haast niet anders dan dat de GLNF intensief recruteert en misschien zelfs minder strenge criteria hanteert dan de anderen. En zou kom je al snel in het vaarwater van het affairisme en dubieuze netwerken terecht.
De huidige Grootmeester is de 62-jarige advocaat François Stifani, voormalig GNLF-woordvoerder en adjunct-Grootmeester, en in functie sinds einde 2007. Stifani bestuurt de GNLF op een vrij eigenzinnige manier, en zowat de belangrijkste kritiek tegen hem is dat hij meer bezig is met zo snel als mogelijk het GODF voorbij te steken als grootste Franse Obediëntie dan met de kern van de maçonnieke zaak. Het ultieme doel is klaarblijkelijk het GODF aflossen als de belangrijkste sociale en politieke maçonnieke actor in Frankrijk. Doordat elke loge van de GLNF minimum 3-4 inwijdingen per jaar op het conto moet plaatsen is de aangroei op jaarbasis ruim 6.000. En dat terwijl, volgens haar eigen website jaarlijks 'slechts' 4.000 kandidaten de GLNF contacteren. Ter vergelijk: het totaal van de Belgische vrijmetselaars – ongeveer 24.000 – wordt gemiddeld op jaarbasis met 200 nieuwelingen aangesterkt. Maar hoe goed voorbereid zijn deze nieuwe leden? De conclusies van een interne commissie zijn in juni 2009 vrij somber: deze manier van recruteren riskeert op termijn de hele vrijmetselarij naar de bliksem te helpen. Stifani reageert op deze conclusies door de commissievoorzitter te ontslaan. Maar dat neemt niet weg dat de GLNF met een aantal grote uitdagingen wordt geconfronteerd: een massale toename van leden is een zaak, ze huisvestigen een andere. Er moeten dus heel wat nieuwe tempels worden gebouwd, die natuurlijk geld kosten. Waar moet zo snel dat geld vandaan komen? Met lidgelden alleen zal je misschien toekomen om een paar deurklinken en een pot verf te kopen. Aldus moeten er geldschieters en sponsors worden gezocht. Het doet zo een beetje denk en aan de grote bedrijven die in de Verenigde Staten de presidentskandidaten ondersteunen; eens verkozen verwachten die natuurlijk dat ‘hun’ president aan met hun verzuchtingen en wensen rekening zal houden.
De hoofdzetel aan de rue Pisan
Doordat de GLNF door haar grote omvang een belangrijke gesprekspartner is geworden voor de seculiere Staat – of toch zeker die ambitie heeft – worden nog andere financiële inspanningen, op het vlak van PR, noodzakelijk. Voorbeeld daarvan is de koop van een appartement van 260 m² in Parijs, ter waarde van 2,5 miljoen euro, als neutrale ontvangstruimte. De al indrukwekkende hoofdzetel van de GLNF, aan de Grande Arche van Paris-la-Défense, volstond voor die opdracht kennelijk niet meer. Ook het smeden van banden met profane topfunctionarissen van de Franse Staat behoort tot die grote PR-operatie. Het risico bestaat echter dat daardoor de debatten binnen de GLNF zich op het politieke niveau zullen gaan afspelen – wat juist verboden is voor reguliere vrijmetselaars. Bij een PR-campagne hoort ook media-aandacht. Zo mocht een cameraploeg in mei 2010 een groot gedeelte van een maçonnieke zitting bijwonen, wat ongetwijfeld niet alle vrijmetselaars door even veel enthousiasme werd begroet.


Organisation Maconnique - société secrete
Geüpload door Dailygratuit. - Nieuwe video's uit de hele wereld.


Stefani’s streefdoel veroorzaakte het afgelopen jaar al wel eens vuurwerk. Op 4 december 2009, tijdens een zitting van het Soeverein Grootcomité in de Parijse hoofdzetel, staan een dertigtal broeders op, stappen op de geblokte vloer en confronteren de Grootmeester. Een van hen leest een lijst voor met kritische vragen aangaande Stifani’s beleid. Vooral de uitbesteding van 17 miljoen euro ‘ter bevordering van de relaties van de GLNF met de Franse Staat’ ligt bij de dissidenten zwaar op de maag. Stifani laat zich niet van zijn stuk brengen en beschuldigd de vraagstellers ervan complotteurs en onwaardige maçons te zijn: ‘C'est pitoyable que vous ayez sali cette maison, pour faire le coup de force.’ Vervolgens geeft hij de opdracht de lijst van de dissenten op te stellen als eerste stap om hen uit de loge te zetten en laat dan zijn voorzittershamer neervallen met de woorden ‘Vous n’avez pas la parole’.
De dissenten zijn niet de eerste de beste. Enkele (voormalige) Provinciale Grootmeesters en een voormalig Grootinspecteur behoren tot de groep. De mannen hebben stuk voor stuk een lange maçonnieke loopbaan. Maar dat maakt geen indruk bij de Grootmeester. Deze ondertekent de volgende dag een schriftelijk protest: ‘Ce que nous avons vécu est ce qu'il y a de plus condamnable et de plus hideux: la perfidie, la calomnie, la méchanceté qui amène les "sans-coeur" à se liguer, comploter et couvrir de miel la pomme empoisonnée.’ Intussen wordt de uitsluitingsprocedure van 24 dissidenten ingezet, wat in de provincies op verwacht ongenoegen stuit. Om de uitbreiding van de rebellie te stuiten gaat de Grootmeester zelfs over tot de onbinding van één van die Provinciale Grootloges, met meer dan 1400 leden, kennelijk uitsluitend omwille van de betrokkenheid van haar Provinciaal Grootmeester bij de ‘opstand’. Het ongenoegen blijft niet beperkt binnen de tempelmuren. Maçons slaan massaal aan het bloggen, geven interviews met de ‘profane’ pers en de hele zaak komt al snel in de openheid, temeer omdat de ‘uitgeslotenen’ deze beslissing bij de rechtbank aanklagen. Einde 2010 werden zij in hun gelijk gesteld; de GLNF heeft beroep aangetekend. Een van die blogs uit in oktober 2010 op dichterlijke wijze zijn kritiek op Stifani:

Hiram, relève-toi, ils sont devenus fous!

Un oiseau noir étend ses ailes de souffrances,
Il répand les ténèbres sur nos Frères endormis,
Dans toutes les contrées de Navarre et de France
Un règne sombre naît, qui étouffe l'Esprit.

Puisqu'à notre sommet ils ont mis un Gourou
Hiram, relève-toi, ils sont devenus fous.
Toi, notre Maître Hiram, t'as raison, tu rigoles,
Toi qui donna ta vie pour le prix d'un secret
Quand tu vois qu'au plus haut on a mis un Guignol
Qui bénit ses fidèles à grands coups de maillet...

Toi, notre Maître Hiram, est-ce qu'au moins tu t'étonnes,
En voyant qu'à Pisan on couronne un impie,
Qui s'agite en ton nom et tous ses valets nomme,
Et qui prétend servir notre Maçonnerie ?

Où est le blanc de nos gants maculés,
De nos serments aujourd’hui bafoués ?
Qui mieux que toi peut venir pour sauver
La Tradition, que ces gens ont souillée ?

Toi, notre Maître Hiram, rejaillis de ta tombe
Et reviens parmi nous pour chasser Stifani,
Que la Lumière vienne et que son règne sombre
Dans le noir des ténèbres et le feu de l'oubli.

De publieke profilering van de GLNF zet zich intussen verder. In februari 2010 neemt de Grootmeester persoonlijk contact op met president Sarkozy met een door de GLNF uitgedokter voorstel ter oprichting van een soort van moslim-executieve. Stifani verdedigt dit voorstel vanuit de maçonnieke bekommernis om tot een algehele broederschap onder de mensen te komen. Vandaar de noodzaak van zo een nationale moslimorganisatie, onafhankelijk van eender ander instituut, en die zich eerder met sociale dan met culturele zaken zou bezighouden. In een interview met het Franse tijdschrift L’Express bevestigt Stifani dat hij de President van de Republiek heeft aangeschrijven als Grootmeester van één van de belangrijkste maçonnieke organisaties van Frankrijk, maar dat hij in grote mate ten persoonlijke titel handelde. Kwatonge beweren dat Stifani zich gedeeltelijk ook door jaloezie laat leiden. Er zijn steeds connecties geweest tussen de Franse Staat en het GODF, en bij de 275e verjaardag van deze laatste in 2003 stuurden zowel de President van de Republiek als de Franse regering haar felicitaties – terwijl bij het wereldcongres van de reguliere Obediënties in 2006 zelfs geen staatssecretaris zijn belangstelling toonde.
Hoe dan ook, al in januari 2009 schrijft Stifani aan Sarkozy dat de President van de Republiek helemaal op dezelfde golflengte zit als de GLNF en vice versa: een profilering zonder weerga in de maçonnieke annalen. Sarkozy antwoordt Stifani dat hij de steun van de reguliere maçons als een waardering opvat voor zijn hervormingsbeleid. De briefwisseling lekt pas einde december 2010 uit, en is intussen bevestigd door het Elysée. De consequenties kunnen verstrekkend zijn: de briefwisseling blaast immers de door de GLNF zelf opgelegde neutraliteit ten aanzien van de staatsinstellingen op. Precies omdat Sarkozy heeft geantwoord kan de top van de GLNF de oorspronkelijke brief van 19 januari 2009 niet als fait divers afwimpelen. Vanuit zowel officiële (het Elysée) als officieuze (de Grootmeester van het GODF die dicht bij Sarkozy staat) kanalen wordt de politieke profilering van Stifani onderschreven.
Dit laatste vindt weerklank tot in het buitenland. In een gezamelijk schrijven uiten de Grootmeesters van Belgische, Zwitserse en Luxemburgse reguliere Obediënties ‘met droefheid’ hun verbazing en afkeuring uit voor de politieke manoeuvers van hun Franse collega. Een tweede brief wordt op 10 januari 2011 gedateerd, waarin de Grootmeesters schrijven ‘perplex’ (sic) te staan door de handelingen van Stifani die op termijn zelfs de regulariteit van de GLNF zou kunnen kosten. Meer nog, uit de brief is af te leiden dat ook de UGLE een gelijkaardig schrijven naar de GLNF verzond, met een kopie ervan naar de drie genoemde Grootmeesters. Ook kunnen zij de minimalisering van hun eerste brief door Stifani maar matig appreciëren. De media-aandacht voor interne maçonnieke aangelegenheden en de publieke profilering van de GLNF ondermijnen bovendien de geloofwaardigheid van het geheel van de vrijmetselarij, ook op internationaal vlak.
In een laatste reactie met L'Express stelt Stifani niet wakker te liggen van de Belgische, Zwitserse en Luxemburgse verzuchtingen. De veel grotere reguliere Obediënties van de Duitse en Spaanse buurlanden hebben geen kritiek.

Wordt ongetwijfeld vervolgd...

Cartoon uit Franc-Maçonnerie Magazine, nr.8, januari-februari 2011



woensdag 29 december 2010

Jan Blommaert over vrijmetselarij in Knack 51, 2010

Mijn lievelingstijdschrift Knack produceerde vorige week, naar jaarlijkse traditie, een reeks van uitstekende interviews. Hierin steekt de interviewer altijd duidelijk veel voorbereidingstijd - wat complexe vragen en dito antwoorden van de geïnterviewde oplevert. Het is eens wat anders dan de klassieke openingsvraag die sportjournalisten doorgaans stellen aan flandriens die net, halverwege het peleton, de eindstreep overschreden hebben: 'En?'.
Maar soit, klaarblijkelijk werden diepzinniger vragen aan Jan Blommaert gesteld, in Knack 51. Blommaert is taalkundig antropoloog en sociolinguïst, als professor verbonden aan de Universiteit Tilburg (vroeger was dat Gent), essayist, collumnist en publicist (onder meer op het uitstekende dewereldmorgen). Een van zijn spraakmakende boeken was bijvoorbeeld Populisme, dat in 2004 verscheen. Geschreven in een tijd waar Steve Stevaert bij de sp.a nog het mooie weer maakte en claimde dat het socialisme vooral gezellig moest zijn. Dat vertaalde zich dan naar ‘begrijpelijk taalgebruik’ naar de mondale jan-(blommaert)-met-de-pet, wat leidde naar een eclatante overwinning van de partij bij de parlementsverkiezingen van 2003. Het bleek al snel om een holle frasering te gaan. Eens de roes van de overwinning gaan liggen zeeg de gezelligheidsfactor in elkaar en zakte de sp.a af naar de krochten van het politiek landschap. Stevaert was volgens Blommaert de levend geworden illustratie van de verglijding van ‘ernstige’ politiek naar een mediagebeuren, waar politici gemaakt en gekraakt worden door hun aanwezigheid in ‘de boekskes’ of bij tv-kwissen. Politieke invulling en ideologische overtuiging zijn dan van veel minder belang. Integendeel: ze zouden de verkoopswaarde van de jonge en hippe politicus bij het kiespubliek wel eens kunnen vertroebelen. Terug naar vandaag noemt Blommaert, in diezelfde context, ook Bart De Wever een populist. De Wever heeft een doel voor ogen – zijnde Vlaamse onafhankelijkheid – wat nog iets helemaal anders is dan een coherente ideologie, aldus Blommaert.
Het interview evolueert verder naar de stelling van Blommaert waarin hij meedeelt lange tijd te hebben vertoefd in milieus waar er uitsluitend denigrerend over gelovigen werd gepraat. En, effectief, Blommaert erkent dat hij vrijmetselaar is. Of beter gezegd: was. Hij was lid van dezelfde Gentse werkplaats als Siegfried Bracke. Na een vijftal jaren heeft hij zich in slaap laten stellen. Een aantal opmerkelijke citaten volgen dan: ‘Het stoort mij dat de vrijmetselaars hun eigen morele superioriteit nooit ter discussie stellen;’ ‘bedrog’ (met betrekking tot de interne discretie); ‘Het debat binnen die gemeenschap is op geen enkele manier beter dan het debat in de publieke ruimte’; ‘Er heerst binnen de vrijmetselarij een enorme hoeveelheid ontwetendheid, die wordt toegedekt door het idee dat vrijmetselaars het allemaal beter weten’; ‘Ik hoorde soms zwaar racistische praat in mijn werkplaats’; en ‘Het is slecht gesteld met de erfenis van de Verlichting.’
De uitspraken van Blommaert vonden meteen weerklank in – o, ironie – de populistische media zoals de webpagina van Gazet van Antwerpen, vandaag.be en clint.be. Vooral de reacties van de lezers, die mij telkens weer ervan overtuigen dat het ‘domheids-gen’ in de mens wel degelijk aanwezig is, waren op het onbeschofte af. Maar dat is wel vaker zo met reacties op krantenwebsites.
Laten we nu eens naar de kern van de zaak gaan: Blommaert werd kennelijk vanuit het academisch milieu van de Universiteit Gent gerecruteerd en verliet dus zijn loge wegens een fundamenteel onbehagen. We moeten natuurlijk oppassen met veralgemeningen, maar ik kan Blommaerts kritieken zeker vatten. De vrijmetselarij is immers vol met paradoxen: enerzijds wordt de kandidaat tijdens zijn inwijding het licht gegeven. Met andere woorden: hij wordt ondergedompeld in de maçonnieke mystiek en zal nu kennis en inzichten krijgen over zaken die hij niet wist – of niet doorhad. Alle evidenties en vooroordelen moeten dus aan de kant worden geschoven opdat het zoeken naar waarheid niet belemmerd kan worden. Het is net zoals de fameuze stelling van de Franse wiskundige Poincaré: ‘Het denken mag zich nooit onderwerpen, noch aan een dogma, noch aan een partij, noch aan een hartstocht, noch aan een belang, noch aan een vooroordeel, noch aan om het even wat, maar uitsluitend aan de feiten zelf, want zich onderwerpen betekent het einde van alle denken.’ Vanaf mijn studentenjaren aan de Vrije Universiteit Brussel wordt je met deze stelling om de oren geslagen en hier en daar kan je ze, en waarbij de tekst wordt geflankeerd door twee zuilen, mooi ingekaderd op de burelen aantreffen. Als kersvers personeelslid mocht ik, naast mijn contract, een document ondertekenen waarmee ik verklaarde Pointcaré nooit ter discussie te stellen. Deze ‘verklaring van Vrij Onderzoek’ lag ook ter ondertekening voor iedereen die een functie binnen een VUB-studentenkring ambieerde. Ik heb mij, tot vandaag, altijd aan deze stelling proberen te houden. Het is voor mij een element van mijn eigen levenshouding: zonder vooroordelen, met open visier en zonder dogma’s de wereld en de samenleving bekijken. Dat is de ware kern van vrijzinnigheid, niet het verwerpen van bijbel, kerk of godsbeginsel. Maar het kan soms verdomd moeilijk zijn je er aan te houden.
Kijken we even naar de vrijmetselarij dan is het a-dogmatische een van haar fundamentele principes, samen met broederlijkheid, solidariteit en vrijheid. Het gevaar is echter niet ondenkbeeldig dat het radicale a-dogmatische uiteindelijk zelf tot dogma verwordt. De verplichting om de verklaring van Vrij Onderzoek te ondertekenen, een vereiste om als VUB-personeelslid te worden opgenomen, is in de kern al een dogma. Je moét tekenen. Laten we nog een stapje verder gaan: indien je verklaart om alle dogma’s te verwerpen kom je automatisch in het vaarwater van kerk en geloof terecht. Bijgevolg stel je je onverdraagzaam op ten aanzien van de kerkelijke en religieuze dogma’s omdat zij de vrijheid van het individu beknotten. Natuurlijk belemmeren zij de vrijheid. Maar hoever kan je dan het a-dogmatische voeren? Moet je dan overdraagzaam ten aanzien van religie in haar totaliteit staan? En hoe vertaalt die houding zich dan in de praktijk? De a-dogmatische vrijzinnige kan weigeren om kerkelijk te trouwen of begraven te worden of om zijn kinderen te laten dopen. De zeldzame keren dat hij in een kerk is – voor een uitvaart bijvoorbeeld – kan hij weigeren om het kruisteken te maken of om te communie te gaan. Dit zijn voorbeeld van een louter persoonlijk standpunt. Anders gezegd: het individu bepaalt zelf in welke mate kerk en religie een rol in zijn leven spelen. Het zou anders gesteld zijn indien de vrijzinnige andere individuen gaat bekritiseren omdat zij wel in volle overtuiging naar de kerk gaan of gelovig zijn. Dan kom je in het vaarwater van het atheïsme terecht. In mijn mening is een atheïst iemand die zich enkel focust op het negatieve van de kerk en vaak niet echt goed weet wat er in de bijbel staat of wat de liturgie precies inhoudt. En eigenlijk heb je dan een gat in je cultuur. Hoe zou je anders The Life of Brian of Bach ten volle kunnen begrijpen?
Terug naar de vrijmetselarij. James Anderson stelde al in 1723 dat een vrijmetselaar nooit een domme atheïst mocht zijn. Nu is er over Anderson al heel wat inkt gevloeid en de ware betekenis van deze stelling is niet geheel vrij van discussie. Hoe dan ook is het in de reguliere vrijmetselarij een verplichting voor alle kandidaten om de Opperbouwmeester van het Heelal als dusdanig te erkennen. Dit is dan zo een beetje het tegengestelde van de verklaring van Vrij Onderzoek, hoor ik de lezer dezes al denken. Nu klopt dit niet helemaal: wie of wat er onder de Opperbouwmeester wordt verstaan is grotendeels vrij, a-dogmatisch dus, in te vullen. Je zou bijgevolg zelfs als vrijzinnige perfect de Opperbouwmeester kunnen onderschrijven wanneer je daarin niet zozeer een godsbeginsel maar een krachtig symbool zou zien. In de meeste Belgische loges is er echter van een Opperbouwmeester geen sprake. De samenstelling ervan kan daarom bestaan uit radicale vrijzinnigen en atheïsten, voor wie het a-dogmatische effectief tot dogma verheven is waardoor begrip, laat staan dialoog, met andersdenkenden moeilijk is. Dát is het punt waar Blommaert naar verwijst. Ik weet van meer dan een voorbeeld waar loges of vrijmetselaars zich totaal onverdraagzaam opstellen.
Anderzijds betekent het ontvangen van het licht geenszins dat de nieuwe vrijmetselarij nu plots veel slimmer wordt. Er heerst enorm veel onwetenheid over de eigen geschiedenis. Bijvoorbeeld: bij elk academisch congres over vrijmetselarij dat ik meemaak kom ik minstens een spreker tegen die zijn maçonnieke achtergrond op zijn wetenschappelijke laat primeren en bijgevolg nogal eens straffe uitspraken durft te doen. Bepaalde potjes blijven ook liever toegedekt, zoals de connecties van de Amerikaanse loges met de Klu Klux Klan. En wat de Belgische vrijmetselarij tijdens de Tweede Wereldoorlog betreft hoorde ik ooit iemand publiek beweren dat slechts een handvol broeders met de bezetter hadden gecollaboreerd, terwijl in werkelijkheid het Grootoosten toch wat werk had om haar eigen stal na 1944 uit te kuisen.
Onwetenheid handelt echter niet alleen over het verleden, maar ook over de toekomst. Wie weet immers het antwoord op de ‘vrouwenkwestie’? Hoe lang willen of kunnen GOB, GLB en RGLB de exclusieve mannelijkheid van hun loges handhaven? Waarom blijft het zo een heikel punt ter discussie, waarbij vaak emotionele en niet redelijke argumenten worden aangehaald ter handhaving.
Een andere stelling van Blommaert behandelt de ‘betweteringheid’ van de vrijmetselaar. Ook hier heeft hij niet helemaal ongelijk. Hoe je het ook draait of keert: de vrijmetselarij is en blijft een elitair genootschap. Op zich is daar helemaal niets mis mee: toen ondergetekende nog een abonnement op de Vlaamse Opera had bevond hij zich ook in elitaire wateren. Sinds Bert Anciaux op Cultuur lijkt ‘elitair’ wel een scheldwoord. Door het elitaire gehalte van de maçonnerie is het gevaar voor een ons-kent-ons-mentaliteit niet denkbeeldig. Dit kan zich vertalen naar een zich afzetten tegen de profane, onwetende wereld. Dat is ook een van de redenen waarom de vrijmetselarij nooit publiek zal optreden tegen alle mogelijke aanvallen van die profane wereld tegen haar. De buitenwereld weet immers niet beter. Toen ik nog student was, en toch al heel wat tijd had doorgebracht in het Maçonniek Documentatiecentrum van het GOB, was op een mooie middag de bibliothecaris niet aanwezig. Een broeder liet mij binnen. Maar voor elk boek dat ik uit de open rekken wou nemen was de man mij voor, en bekeek aandachtig cover en titel alvorens het mij te overhandigen. En toen een andere broeder even de bibliotheek passeerde hoorde ik hem influisteren om mij in de gaten te houden want ik ‘was maar een profaan’. Ik wordt er nog nerveus van als ik eraan terugdenk. Ander voorbeeld: Piet Van Brabant, de Vlaamse kampioen in het schrijven van boeken over vrijmetselarij en mede-stichter van de RGLB, gaf ooit een voordracht in Liedekerke. Het was een memorabele avond, want ik nooit geweten van een spreker die erin slaagde zijn publiek tegen hem te laten keren. Toen Van Brabant van een zeer geëngageerde dame de vraag kreeg waarom de vrijmetselarij zich niet openstelde voor vrouwen kreeg deze als antwoord: ‘Mannen en vrouwen zijn niet gelijk’. Punt. Nu had Van Brabant het ietwat diplomatischer kunnen aanpakken door bijvoorbeeld ‘niet gelijk, maar wel gelijkwaardig’ te gebruiken, maar soit. Derde voorbeeld: in Mechelen werd een debat gehouden tussen Jean Paul Van Bendegem en Yves Desmet (pro en contra). Commentaar van een oude maçon uit de zaal: ‘maçonnieke broederlijkheid staat hoger aangeschreven dan democratie’. De uitspraak veroorzaakte enige animositeit onder de aanwezigen.
Door het hele gedoe met lintjes, kleuren, graden, bestuursfuncties en dies meer creëer je ook een interne maçonnieke cultuur waardoor even kan vergeten dat er ook zo iets als een profane wereld bestaat waar dit allemaal niet van belang is. Het doet mij soms denken aan – vergeef mij het woord – debielen die tijdens fuif of cantus op de VUB in een bijzonder vieze toga, met een al even vies lint zich beter achtten dan alle andere gedoopte of niet-gedoopte studenten omdat zij meer gouden en vooral zilveren sterren op hun klak hadden staan. Ook deze houding gaat in tegen het beredeneerd a-dogmatische dat zo essentieel is voor de maçonnieke beleving. Hiërarchie dient om de werking van een werkplaats praktisch mogelijk te maken, en graden duiden enkel op de intellectuele ontwikkeling van de broeders. Het is immers nogal logisch dat een leerling-vrijmetselaar minder ver staat dan een meester, net als een eerste bachelor minder ervaring heeft dan een student die op het punt staat zijn masterdiploma te halen. Laat de vrijmetselarij vooral toch dat in gedachten houden.
De laatste en meest opvallende stelling van Blommaert betreft echter het verkapt en minder verhuld racisme. Opnieuw mogen we zeker niet veralgemenen, maar de afgesloten cultuur van de loges, het radicale a-dogmatische en de ons-kent-ons-mentaliteit kunnen zo een houding stimuleren. Hoe is het immers gesteld met de houding van de vrijmetselarij ten aanzien van moslims? In het Antwerpse heb je wel een aantal seculiere Turken en Marokkanen in de werkplaatsen, maar het blijft wel een randfenomeen. Het getuigt sowieso van een onvoorstelbare naïviteit dat racisten, xenofoben of Vlaams-belangers geen vrijmetselaars zouden zijn. Een vrijmetselaar is op de eerste plaats een individu met zijn eigen karaktertrekjes. Als een Vlaams-nationalist vrijmetselaar wordt kan je niet verwachten dat hij, dankzij de vrijmetselarij, tot een belgicist zou evolueren. Losstaand hiervan hoorde ik al van verschillende bronnen over de ‘infiltratie’ van Vlaams-nationalisten in het algemeen en Vlaams-belangers in het bijzonder in de Belgische loges. Hoe zou je anders kunnen begrijpen dat de meest accurate info over vrijmetselarij op Wikipedia door Vlaams Belangers wordt verzameld? En hoe is het trouwens met de Vlaamsgevoeligheid van de loges? Het is niet omdat het GOB en de andere Obediënties in alle taalgroepen vertegenwoordigd zijn dat er overal communautaire peis en vree heerst. Ik zou heel graag diepgaand willen onderzoeken wat de aanwezigheid van Vlaams-nationalisme in de Belgische loges nu precies inhoudt.
Samengevat: het Knack-interview met Jan Blommaert legt, wat de vrijmetselarij aangaat, een aantal pijnpunten bloot. Maar opnieuw: laten we niet veralgemenen. Net zoals niet alle atheïsten echte vrijzinnigen kunnen zijn, zo zijn ook niet alle vrijmetselaars in zichzelf gekeerd.