Alles over vrijmetselarij en genootschappen: geschiedenis, reviews, weblinks.
Posts tonen met het label Belgische geschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Belgische geschiedenis. Alle posts tonen

woensdag 4 juni 2014

Het verloren koninkrijk

Een tweetal weken geleden verscheen Het verloren koninkrijk. Het harde verzet van de Belgische orangisten tegen de revolutie, 1828-1850, het nieuwe boek van Els Witte. Op basis van het jarenlange onderzoek, onder meer in de archieven in Den Haag, en van de gesprekken die zijzelf met mij erover voerde, durf ik nu al te spreken van dit boek als haar Magnum Opus. De orangistische beweging was, onmiddellijk volgend op de Belgische onafhankelijkheid van 1830, niet te minimaliseren. Vooral in Gent stond deze sterk. De figuur van magistraat Hippolyte Metdepenningen, organistisch politicus, en grote bezieler van de werkplaats Le Septentrion, staat daarin centraal. Le Septentrion zou nog 50 jaar lang onderhevig blijven aan het Grootoosten der Nederlanden. En ook de dissidente Fédération maçonnique belge, opgericht in 1833 in het Luikse uit ongenoegen met het nieuwe Grootoosten van België, kon als organistisch worden bestempeld. Dit alles en nog veel meer is in dit boek van historica en VUB-ere-rector Witte te lezen. Een essay van haar staat op apache.be, wat onlangs ook in Ons Erfdeel verscheen. 

E. Witte, Het verloren koninkrijk. Het harde verzet van de Belgische organisten tegen de revolutie, 1828-1850. Amsterdam, De Bezige Bij, 2014, 700 p., € 39,90

vrijdag 31 mei 2013

Scheiding van Kerk en Staat: een historische terugblik

In 1905 werden in Frankrijk de banden tussen Kerk en Staat helemaal doorgesneden. Dit was het gevolg van een zeer lang debat, dat al met de revolutie van 1789 was aangevat. De Belgische geschiedenis wordt voor een groot stuk eveneens gekenmerkt door gelijkaardige, levensbeschouwelijke discussies, die echter nooit tot zo een eindpunt hebben geleid. Met andere woorden: in dit land is de scheiding tussen Kerk en Staat fictief.
De kern van de hele kwestie is terug te voeren tot de grondwet van 1831. Bij een eerste lezing lijkt – en is – dit document revolutionair. In de literatuur wordt de Belgische grondwet, bekeken in de tijd waar zij tot stand kwam, vaak als de modernste en meest liberale ter wereld beschouwd. Niet alleen worden de machten gescheiden, maar wordt er aan de burger een reeks van vrijheden gegarandeerd. Niemand kan verplicht of verhinderd worden zich bij een vereniging aan te sluiten; vergaderingen kunnen plaatsvinden zonder dat politie of ambtenaren de zitting ter controle bijwonen; iedere huisvader heeft het recht zijn kind naar de school van keuze te sturen of er desnoods zelfs eentje op te richten; de pers wordt niet gecensureerd; en de godsdienstbeleving is vrij. Vergelijk deze principes anno 1831 met bijvoorbeeld Oost-Duitsland, waar de meeste van deze vrijheden tot 1989-’90 helemaal niet bestonden. Nog vandaag zou een hele reeks van landen, overal ter wereld, gebaat zijn met een vergelijkbare grondwet.
In dit enthousiasme zou je bijna durven beweren dat de grondwetgever, bij de start van België als onafhankelijk land, ook Kerk en Staat van elkaar gescheiden zou hebben. Tot op zekere hoogte klopt deze bewering. De Staat bemoeit zich niet met de Kerk: de benoeming van bisschoppen of aartsbisschoppen bijvoorbeeld kan uitsluitend binnen het kerkelijk instituut worden geregeld. De Staat verbindt zich er ook toe nooit tussenbeide te komen in religieuze aangelegenheden. Deze houding is op twee manieren te begrijpen: enerzijds wordt hiermee een streep getrokken onder de samenleving voorafgaand aan de Franse Revolutie, waar Kerk en Staat volledig in elkaar vervloeiden; anderzijds denkt de grondwetgever dat, wanneer iedereen zich alleen met zijn eigen zaken zou bemoeien, welvaart, geluk en vrede voor alle burgers mogelijk is.
Vrij snel komen de liberalen, die samen met de katholieken de grondwet hadden opgetekend, tot het besef dat ze door hun partners in de luren zijn gelegd. Geen bemoeienis van staatswege betekent ook geen controle en geen mogelijkheid tot inperking van katholieke activiteiten. Typerend hiervoor is de wildgroei van katholieke scholen en kloosters in de eerste decennia na de onafhankelijkheid, dank zij de grondwettelijke verenigingsvrijheid. Vervolgens blijkt dat de ambigue houding tussen Kerk en Staat deze situatie verder bevoordeelt. Toen de liberalen in 1846 voor het eerst in congres samenkomen, en bij die gelegenheid de Liberale Partij in het leven roepen, bestaat een van de amendementen uit de eis dat het burgerlijk gezag haar onafhankelijkheid moet behouden. Over de ‘onvoltooide’ scheiding van Kerk en Staat wordt geen woord gerept.
Pas aan het einde van de jaren 1850 komt dit op de politieke agenda te staan. De Gentse liberale jurist en antiklerikale schenenschopper François Laurent kan er niet over ophouden. En in Brussel was er een andere jurist, Jules Bara, die in deze bewustwording een cruciale rol speelt.
Bara verdedigt in 1859 zijn rechtendoctoraat aan de ULB. Hierin analyseert hij de grondwet en concludeert hij dat de scheiding van Kerk en Staat op los zand is gefundeerd. In feite zijn er slechts twee elementen die de absolute scheiding in de weg staan. Ten eerste vermeldt de grondwet dat het burgerlijk huwelijk voorrang heeft op het kerkelijk. In geval van een ‘scheiding’ was deze uitdrukkelijkheid overbodig geweest; desbetreffend grondwetsartikel speekt trouwens ook de godsdienstvrijheid tegen. Ten tweede zorgt de Staat – in praktijk: het Ministerie van Justitie – ervoor dat de ‘cultusbedienaren’ een loon ontvangen. Later zal de geniale Bara twee keer Minister van Justitie worden; de eerste keer was hij nog geen 30 jaar. Zijn politiek wordt gekenmerkt door een rabiaat antiklerikalisme: zo stuurt hij ooit zelfs een keertje de deurwaarder naar de aartsbisschop, in verband met een discussie over studiebeurzen.
Met Bara kruipen andere liberalen in de pen om de onvoltooide scheiding van Kerk en Staat aan te klagen. De Brusselse schepen van onderwijs Ernest Allard gaat nog een stapje verder. De inmenging van Katholieke Kerk en religie gaat dieper dan op het eerste gezicht gedacht. Wat met de kerkhoven die in hun geheel door de pastoor worden gewijd, en waar de vrijzinnigen in een uithoekje begraven worden tussen de moordenaars en andere verschoppelingen van de maatschappij? Wat met het onderwijs en de liefdadigheid? Wat met de ‘temporalia van de eredienst’, met andere woorden: alles wat nodig is om godsdienst te beleven zoals gebouwen, kazuifels en hosties? Wat dit laatste betreft kwomt er in 1870 een nieuwe wet op het beheer van de kerkfabrieken. Om een lang verhaal kort te maken: een kerkfabriek is wettelijk gezien niet in staat om schulden te maken. Gebeurt dat toch, dan is de gemeente, waaraan de kerkfabriek verbonden is, verplicht om financieel bij te passen. De gemeente is ook verplicht om de pastoor een woning aan te bieden.  
In de Kamer van Volksvertegenwoordigers is het Henri Bergé, parlementslid en voorzitter van de vrijdenkers van La Libre Pensée, die vurige pleidooien houdt voor de volledige scheiding omdat alleen dan het liberalisme – en die principes van vrijheid en vooruitgang – zich zouden kunnen ontwikkelen. Maar toch duurt het nog tot de late jaren 1880 alvorens de liberale partijtop eensgezind de scheiding van Kerk en Staat bovenaan haar prioriteitenlijstje plaatst. Kwatongen beweren dat de liberalen dat pas deden nadat ze tot het besef waren gekomen dat zij, door de opmars van de socialisten, in het parlement steeds minder gingen voorstellen.
Het pleidooi pro-scheiding is nooit echt tot alle liberale lagen doorgedrongen. Er kan zelfs worden beweerd dat na 1900 dit standpunt een soort van ideologische folklore werd, vergelijkbaar met de republikeinse ingesteldheid van de socialisten. Er zijn in die tijd andere hete hangijzers – de uitbreiding van het stemrecht bijvoorbeeld – die in het politiek discours meer aandacht vragen.
Toch zijn er nog een paar memorabele uitzonderingen. Eugène Goblet d’Alviella bijvoorbeeld, die later tijdens de Eerste Wereldoorlog als liberaal minister in de regering van Nationale Unie wordt  opgenomen, pleit in 1904 voor de afschaffing van de uitbetaling van lonen en pensioenen van de pastoors door de Staat. Tegelijk eist hij ook de afschaffing van alle subsidies voor de katholieke scholen. Maar Goblet is een uitzondering en de hele kwestie sterft een stille dood.
Vandaag is de onvoltooide scheiding tussen Kerk en Staat ook op andere domeinen merkbaar. Denk daarbij aan de religieuze feestdagen die tegelijk ook wettelijke verlofdagen zijn. De hoge protocollaire positie van de aartsbisschop. Of het gebruik van het Te Deum als een quasi-nationale plechtigheid. Blijft de vraag of het ijveren naar de absolute scheiding inderdaad een nevengedachte is. Is hier een maatschappelijk draagvlak voor? Maakt het eigenlijk allemaal iets uit? Vormt de scheiding een fundamenteel onderdeel vormt van de lekenstaat? Is België immers al lang niet een geseculariseerde natie?

Je kan inderdaad de vraag stellen of dit pleidooi vandaag opportuun is, in een land dat grotendeels ontkerkt lijkt. Maar actuele discussies rond het neutraliteitsprincipe gebieden ons om waakzaam te zijn. Kiezen voor de volledige scheiding betekent kiezen voor eenduidigheid, zonder achterpoortjes of interpretatiemogelijkheden. De lekenstaat mag zich niet laten leiden, noch beïnvloeden, door godsdienstige principes, gebruiken en noden. Godsdienst dient als een louter privé-aangelegenheid te worden gerespecteerd. Vanuit die benadering dienen ook de geldstromen vanuit de Staat  herbekeken te worden. Precies daarom is het pleidooi voor een volledige scheiding meer dan enkel folklore. 

donderdag 18 april 2013

Omschrijving van vrijmetselarij in 1981

In 1981 verscheen onderstaande tekst in nummer 8 van het intussen al lang vergeten tijdschrift Dwarsligger, dat als bijlage verscheen bij Het Vrije Woord, maandblad van het Humanistisch Verbond. In dit nummer werd het verschil tussen vrijzinnigheid (wat vandaag correcter vrijzinnig humanisme wordt genoemd), vrijdenkerij (met de nadruk op 19e- en 20e-eeuws antiklerikalisme) en vrijmetselarij uitgelegd. Wat dit laatste thema betrof trachte de (anonieme) auteur een bijwijlen nogal zweverig beeld van de maçonnerie te schetsen. Daarbij werd er vertrokken van de verkeerde veronderstelling dat er een mooie lijn te trekken was van de middeleeuwse operatieve 'metselaars' en de hedendaagse speculatieve 'vrij'metselaars. Wel maakt de auteur de terechte opmerking dat de link tussen vrijmetselarij en vrijzinnigheid niet zomaar mag worden gemaakt, hoewel de vrijmetselarij 'in ons land in de eerste plaats onder de vrijzinnigen en de vrije denkers wordt gerecruteerd'. Verder schrijft hij dat 'de band tussen vrijmetselarij en vrijzinnigen is uitgegroeid tot een nieuwe inhoudgevende, omvattende factor.' Aan het slot krijg je als lezer echter de indruk dat de vrijzinnigen zich beter tot de vrijmetselarij, het laboratorium van progressieve ideeën, zouden kunnen wenden, van zodra ze hun 'schuwheid' ten aanzien van ritualen en symbolen aan de kant zouden schuiven. Had de auteur maar een meer duidelijke tekst geschreven, dan zou je als geïnteresseerde vrijzinnige anno 1981 misschien wel geweten hebben wat nu de meerwaarde van vrijmetselarij was.  
 



 

dinsdag 19 maart 2013

Recensie 'Dromen van een nieuwe samenleving'

Bij Larcier verscheen het doctoraal proefschrift over Edmond Picard van Bart Coppein in boekvorm. Het doet oneer aan de grote intellectuele arbeid van deze historicus om dit boek als louter een  biografie te omschrijven, want het is meer dan dat. Leven en werken van Picard worden er bekeken als ‘kapstok’ waaraan de volledige politieke, sociale, institutionele en juridische geschiedenis van België van de late 19e en vroege 20e eeuw wordt opgehangen. Het resultaat is een bijzonder erudiet en zeer degelijk werk, dat een welkome aanvulling is in de bibliografie van de Belgische geschiedenis.

Edmond Picard (1836-1924) was zonder twijfel een van de grootste juristen uit de Belgische geschiedenis. Zijn naam kan samen met deze van François Laurent, Jules van den Heuvel of Jules Lejeune worden genoemd. Als publicist was Picard ‘larger than life’: zijn bibliografie omvat tientallen werken, vaak opgesplitst in verschillende volumes. Hij was de drijvende kracht achter de Pandectes belges, een reeks die nog na zijn dood werd verdergezet en in 1933 werd afgeklokt op 136 boekdelen. De reeks is in alle opzichten indrukwekkend: zowat ieder trefwoord uit de Belgische rechtspraak van de 19e en begin 20e eeuw wordt hierin uitvoerig toegelicht en geanalyseerd. Niet zelden vormden de door Picard geschreven inleidingen van de verschillende delen aparte essays of zelfs pseudo-romans, geïnspireerd door rechtsfilosofie en –praktijk of actuele maatschappelijke en ideologische kwesties. Ook de persoonlijkheid van Picard oversteeg zijn capaciteiten als jurist. Een blik op zijn biografie illustreert deze veelzijdigheid. Op school leerde hij Charles Woeste en Charles Graux kennen; tijdens zijn studententijd was hij bevriend met George Frère, zoon van Walthère Frère-Orban.

Zijn vader, François-David Picard, was trouwens een vriend van Pierre-Théodore Verhaegen met wie hij de Brusselse loge van Les Amis Philanthropes deelde. Bovendien woonden zowel het gezin Picard als Verhaegen in dezelfde Miniemenstraat. Vader Picard was niet overdreven gelovig of antiklerikaal, en een van Edmonds zussen trad toe tot de ursulinen. Edmond Picard zelf was antiklerikaal maar  geen vrijmetselaar, en mogelijk was dit een van de redenen waarom hij, tot zijn eigen frustratie, nooit tot hoogleraar aan de ULB werd benoemd. Wel doceerde hij aan de kortstondige Université Nouvelle, die in 1894 ontstond uit een scheuring binnen de ULB.

Na een omzwerving op zee – hij behaalde het diploma van tweede luitenant op de lange omvaart – volgde hij aan de ULB de rechtenopleiding, werd in 1860 doctor in de rechten, en werd aan de Brusselse balie stagair van Jules Lejeune. Dank zij zijn huwelijk met een telg uit de welstellende industriëlenfamilie Olin kon Picard zich een ‘somptueuze’ levensstijl veroorloven, onder meer weergegeven door een legendarische voorliefde voor bourgognewijnen. Van 1880 tot zijn ontslag in 1919 was hij advocaat aan het Hof van Cassatie, waar hij onder meer in het gezelschap was van Auguste Beernaert, Charles Woeste, Charles-Xavier Sainctelette en Emile Demot. Onder zijn stagairs rekenen we de grote christendemocraat Henry Carton de Wiart; Jules Destrée, onsterfelijk geworden door zijn open brief aan Albert I; Maurice Maeterlinck, België’s enige Nobelprijswinnaar Literatuur; Emile Verhaeren; en Paul Otlet, die alle kennis ter wereld op fiches wenste te verzamelen en later samen met Henri La Fontaine – ook stagair van Picard – het Mundaneum in het leven riep.

Picard schreef en redigeerde veel, enorm veel. Alleen al in de krant Le Peuple verschenen vijfhonderd (!) artikels van zijn hand. Vaak schreef hij over de tekortkomingen van de Belgische wetgeving, met tal van absurde wetten die, louter terminologisch, niet zelden geen steek hielden. In zijn ogen moesten politici zich met meer kennis van zaken met de wetgeving bezighouden en zich daarbij op wetenschappelijk en juridisch vlak degelijk laten adviseren. Maar dit was utopisch omdat politici nu eenmaal niet werden verkozen omwille van hun kwaliteiten als wetgever.

Picards interesseveld was breder dan enkel juridische aangelegenheden: zo was hij ook verbonden aan verschillende literaire tijdschriften, trachtte tevergeefs een nevencarrière als theaterauteur van de grond te krijgen en was hij overtuigd wagneriaan en kunstliefhebber. Op politiek vlak pleitte hij voor algemeen stemrecht en had hij een grondige hekel aan doctrinaire liberalen. In 1894 verscheen hij op de BWP-lijst en werd hij nadien door de partij gecoöpteerd naar de Senaat. Tussen 1898 en 1900 zou Picard trouwens de enige socialistische senator zijn. Als republikeins politicus volgde hij een zeer eigenzinnige koers, en zijn pleidooi voor luxe was ook niet meteen socialistisch te noemen. Meer dan eens riep hij op om de Senaat te moderniseren, want veel zinnigs gebeurde er eigenlijk niet in de hoge vergadering. In feite is er op dat vlak sinds de tijd van Picard maar weinig veranderd. Ook vroeg hij zich openlijk af waarom de graaf van Vlaanderen, broer van Leopold II, in hemelsnaam een dotatie moest krijgen. Eigenlijk is het in hoofdzaak aan partijleider Emile Vandervelde toe te schrijven dat Picard het zo lang in de Senaat heeft uitgehouden. 

Picard was gespecialiseerd in onteigingsrecht, intellectueel eigendomsrecht en zeerecht, maar profileerde zich ook in Vlaamse aangelegenheden. Toen in 1872 de Vlaamse arbeider Jozef Schoep in eerste aanleg werd veroordeeld – omdat deze geweigerd had om in Sint-Jans-Molenbeek in het Frans aangifte te doen van de geboorte van zijn zoon – werd de man in Cassatie door Picard verdedigd. Hoewel de veroordeling van kracht bleef, werd met de zaak wel de politieke gemoederen geroerd. Zeer snel volgde de eerste echte taalwet op de strafrechtspleging. Picard kreeg – ongewild misschien – een heldenstatus binnen de Vlaamse Beweging. Het was bijgevolg meer dan symbolisch dat hij in 1891, bij de oprichting van het Vlaams Pleitgenootschap bij de balie van Brussel, meteen als erevoorzitter werd voorgedragen.

Toch blijft het geloof in Picards logelidmaatschap hardnekkig in maçonnieke kringen. Nog in het meest recente nummer van de Acta Macionica van de RGLB werd in een artikel over antimaçonniek extreem-rechts tijdens het Interbellum nog verwezen naar de antisemiet en vrijmetselaar Picard. Hoewel dat laatste dus niet klopte, was het eerste helaas wel waar. Dat Picard na 1900 hoe langer hoe meer in sociaal en politiek isolement terecht kwam, was grotendeels aan hemzelf te wijtem. Maar het is zijn antisemitisme dat zijn nagedachtenis heeft bezoedeld. In zekere zin wil het boek van Bart Coppein een herwaardering van Picard voorstellen, of ten minste toch zijn ideologie in de correcte context plaatsen. Echt netjes kunnen we sowieso Picards essay Le droit et la race niet noemen. Daarin interpreteerde Picard de wereldgeschiedenis als het aanslepend conflict tussen ariërs en semieten, en stoorde hij zich mateloos aan het zogenaamd ‘joods kapitalisme’. Picard stelde dat het semitische ras immuun was aan beschaving en vooruitgang, terwijl de ariërs alle dynamiek in zich hadden. Intussen kregen de joden de journalistiek, de beurzen en de haute finance in hun greep. Vanuit Picards antisemitisme was het typerend dat hij, als een van de weinige Belgische intellectuelen, weigerde om publiekelijk zijn steun te betuigen aan Emile Zola. Het was immers Zola die met het pamflet J’accuse de verdediging van Alfred Dreyfus op zich nam. Nog in 1922 had Picard het over het gevaar van de joodse plutocratie of grootkapitaal. Deze terminologie zouden we niet veel later ook bij de nazi’s terugvinden.

Toch mag Picard zeker niet als alleenstaand geval worden bekeken. Ook Jules Destrée en zelfs Karl Marx waren om een anti-joodse uitspraak meer of minder niet verlegen. Bovendien haalde hij de antisemitische mosterd vooral in het buitenland. Bij de Fransman Edouard Drumont bijvoorbeeld, boegbeeld van de anti-dreyfusards. Ook was Picards antisemitische raciaal en niet religieus van aard en sprak hij in algemene termen, zonder daarbij concrete joodse personen te viseren. In hetzelfde register beschouwde hij de zwarten ook ondergeschikt aan de blanken. Ten slotte was dit antisemitisme een onderdeel van Picards nationalisme, dat zo een beetje als de ‘âme belge’, de ‘Belgische volksgeest’, kon worden bekeken. Het was die volksgeest die Vlamingen en Walen deelden. Ook bij Henri Pirenne is deze vorm van ‘eeuwigdurend België’ terug te vinden.

Coppeins boek richt zich duidelijk tot de lezer met kennis van zaken. Namen van politici, ideologen en juristen worden nauw in het verhaal betrokken en echter niet altijd even grondig geduid. Ook konden bepaalde passages misschien nog intenser worden onderbouwd, door bijvoorbeeld Léon Poliakov of Benedict Anderson in het hoofdstuk over antisemitisme en nationalisme te betrekken.  Hoewel vrijmetselarij – en terecht – maar in de marge van dit verhaal aan bod komt, maakt de auteur een kleine misvatting wanneer hij het heeft over Henri La Fontaine en diens betrokkenheid bij Le Droit Humain. In tegenstelling tot wat er in het boek staat was La Fontaine al in 1912 als Achtbare Meester van Les Amis Philanthropes betrokken bij het ontstaan van de eerste gemengde loge. Later zal deze opgaan in de Belgische Federatie van Le Droit Humain. Dit zijn echter allemaal maar details die niets afdoen aan de grote waarde van deze publicatie.

 

Bart Coppein, Dromen van een nieuwe samenleving. Intellectuele biografie van Edmond Picard. Brussel, Larcier, 2011, 423 p.