Alles over vrijmetselarij en genootschappen: geschiedenis, reviews, weblinks.
Posts tonen met het label antiklerikalisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label antiklerikalisme. Alle posts tonen

woensdag 19 juni 2013

Priester en vrijmetselaar (2)

Christian Laporte van La Libre Belgique (niet langer van Le Soir, zoals verkeerdelijk wordt vermeld) schreef vandaag een opiniestuk voor deredactie.be. Hierin geeft hij zijn mening over de kwestie-Vesin - de priester uit de Franse Alpen die 'betrapt' werd als vrijmetselaar. 
Met de tekst is vanalles mis. Ze is duidelijk eerst in het Frans opgesteld en daarna in het Nederlands vertaald, wat de bizarre verwijzing naar de 'Grote Reguliere Loge van België' verklaart. Ook klinken bepaalde uitdrukkingen nogal eigenaardig, zoals "supporter van de 'mariage pour tous'", waarmee de vertaler eigenlijk bedoelt: aanhanger van het openstellen van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht. Sinds wanneer wordt trouwens 'détail' met een accent geschreven? Het is ook jammer dat er melding wordt gemaakt van 'Blog Maçonnique', terwijl het gewoon hiram.be moet zijn. 
Maar goed, wat wil Laporte met dit opiniestuk aantonen?
Om te beginnen omschrijft hij het Grand Orient de France als per definitie de meest antireligieuze Obediëntie. Daaruit zou je afleiden dat de andere Franse Obediënties waarschijnlijk ook antireligieus zijn, maar dan toch in mindere mate. Daaruit volgt wat verder het vergelijk dat ook het Grootoosten van België de meest antiklerikale in haar soort is. In die mate dat er geen bruggen tussen Kerk en vrijmetselarij in dit land mogelijk zijn. Dat klopt niet. Denk alleen al aan de (maçonnieke) bijeenkomsten waar kardinaal Danneels en de bisschop van Gent aanwezig waren. 
Vervolgens gaat het opiniestuk richting vervolgingen door de nazi's. Dit is een op zijn minst bizarre wending. Het klopt wel allemaal: er was inderdaad een klandestiene werkplaats in het kamp van Esterwegen, waar er een 'deal' was tussen de daar ondergebrachte vrijmetselaars (waaronder de Gentse liberale politicus, journalist en verzetsman Henri Story) en enkele pastoors. 
Ten slotte herinnert Laporte zich de standpunten van Piet Van Brabant, die hij vooral als collega-journalist - Van Brabant was bij Het Laatste Nieuws - heeft gekend. Van Brabant wordt hier afgeschilderd als een groot humanist. Mogelijk is dit een terechte omschrijving. Maar opnieuw krijg je daardoor de indruk dat zij, die niet onder de koepel van de RGLB vallen, dat niet zijn - en dus behoren tot het 'antiklerikale' GOB. 
Conclusie: dit opiniestuk leidt nergens naar. Zowel qua stijl als inhoud is het in één woord samen te vatten: bizar.


De volledige weergave volgt hier:


Op een of andere (rare) uitzondering na hebben, voor wat ik daarvan kon volgen, de Vlaamse media heel weinig belang gehecht aan de onverwachte “coming out” van Pascal Vesin, de pastoor van een parochie van Megève, in de Franse Alpen.
Langs franstalige kant werd dat nieuws veel meer onder de schijnwerpers gebracht. En ook bekommentarieerd zowel op sommige katholieke websites als op de zeer interessante Blog Maçonnique die op een heel objectieve manier door Jiri Pragman, een Belgische journalist-vrijmetselaar gerund wordt - en dat ik dus aanraad indien U serieuze informatie zoekt over de “kinderen van Hiram” en geen gezever “à la Dan Brown”...

Supporter van de “mariage pour tous”
Maar beeldt u in, als gelovige... dat uw pastoor bij de Loge zit. En dan nog bij de meeste anti-religieuze of in elk geval anti-katholieke obedïentie...de Grand Orient de France waar ze volgens sommigen elke ochtend een priester in hun sandwich steken!

Belangrijk détail: die zeer populaire zielenherder beleefde zijn dubbele identiteit zonder problemen maar hij werd verklikt door een betere (?) katholieke parochiaan die het blijkbaar niet kon verteren dat de priester ook buiten zijn eigen tempel zich in vraag stelde en zijn steentje bijbracht voor een betere samenleving.

Natuurlijk kwam dat nieuws moeilijk over bij de Franse katholieken nadat het homohuwelijk door de Assemblée nationale gestemd werd. En des te meer omdat Pascal Vesin heel kritisch was tegenover de hierarchie van zijn Kerk...maar toch...

Bruggen bouwen...
In Franstalig België, staan er ook nog steeds hoge muren tussen de Kerk en de verschillende federaties van vrijmetselaars. Zeker en vast omdat de belangrijkste tussen hen, het Grootoosten van België ook de meeste antiklerikale is...

Nochtans denkt een bruggenbouwer zoals uw dienaar dat het mogelijk moet - en kan - zijn te dialogeren tussen mannen (en vrouwen) van goede wil. Onder andere voor de heel goede reden dat al degenen die zich voor een goede samenleving inzetten ook dezelfde vijanden hebben. Tja, de extremisten, van uiterst links zowel als die van uiterst rechts houden niet veel van de denkers van deze wereld die het lot van hun medeburgers willen verbeteren. Zowel in de communistische als in de fascistische regimes werden ze allemaal buiten spel gesteld. Uitgeschakeld in alle betekenissen van het woord...

Zich verzetten in de kampen
Nihil novi sub sole... In de concentratiekampen van de Nazi's werden zowel de ene als de andere opgesloten en het was hetzelfde in de Goelag. En veel van hen kwamen nooit terug. 
Maar zelfs in de duisternis van het Dritte Reich werd het onmogelijke mogelijk en overwon het licht/Licht de zwartste machten: in het kamp van Esterwegen werd een loge gesticht die niet voor niets “Liberté chérie” als naam nam...

Terwijl de logebroeders vergaderen in het geheime atelier bewaakten de katholieke medegevangenen de omgeving. En het tegenovergestelde was ook waar toen deze laatste eer betoonden aan hun God tijdens een mis waar heel kleine stukjes van wat normaal brood moest zijn gewijd werden.

Eerlijk gezegd weet ik niet of bij ons in België ook veel logepastoors rondlopen maar het zou me niet verbazen dat zowel overtuigde katholieken als pure vrijzinnigen daar positief over denken. Dat is een beetje de alchimie van dit land waar een Edouard Froidure met een Arthur Haulot in dezelfde kerkers belandden...

Om het dan toch over een Vlaamse logebroeder te hebben, zou ik nog even de nadruk willen leggen op mijn ontmoetingen met de grote journalist en ook grote vrijmetselaar Piet Van Brabant. Ik kende zijn heel scherpe pen over onze communautaire palabers en de domme taaloorlog in de Rand en in Brussel maar ontdekte een grote humanist die naar mij toe kwam als een ambassadeur van de Grote Reguliere Loge van België, niet om mezelf te overtuigen van zijn eigen gelijk maar om sommige essentiële waarden te delen...


copyright deredactie.be 

vrijdag 31 mei 2013

Scheiding van Kerk en Staat: een historische terugblik

In 1905 werden in Frankrijk de banden tussen Kerk en Staat helemaal doorgesneden. Dit was het gevolg van een zeer lang debat, dat al met de revolutie van 1789 was aangevat. De Belgische geschiedenis wordt voor een groot stuk eveneens gekenmerkt door gelijkaardige, levensbeschouwelijke discussies, die echter nooit tot zo een eindpunt hebben geleid. Met andere woorden: in dit land is de scheiding tussen Kerk en Staat fictief.
De kern van de hele kwestie is terug te voeren tot de grondwet van 1831. Bij een eerste lezing lijkt – en is – dit document revolutionair. In de literatuur wordt de Belgische grondwet, bekeken in de tijd waar zij tot stand kwam, vaak als de modernste en meest liberale ter wereld beschouwd. Niet alleen worden de machten gescheiden, maar wordt er aan de burger een reeks van vrijheden gegarandeerd. Niemand kan verplicht of verhinderd worden zich bij een vereniging aan te sluiten; vergaderingen kunnen plaatsvinden zonder dat politie of ambtenaren de zitting ter controle bijwonen; iedere huisvader heeft het recht zijn kind naar de school van keuze te sturen of er desnoods zelfs eentje op te richten; de pers wordt niet gecensureerd; en de godsdienstbeleving is vrij. Vergelijk deze principes anno 1831 met bijvoorbeeld Oost-Duitsland, waar de meeste van deze vrijheden tot 1989-’90 helemaal niet bestonden. Nog vandaag zou een hele reeks van landen, overal ter wereld, gebaat zijn met een vergelijkbare grondwet.
In dit enthousiasme zou je bijna durven beweren dat de grondwetgever, bij de start van België als onafhankelijk land, ook Kerk en Staat van elkaar gescheiden zou hebben. Tot op zekere hoogte klopt deze bewering. De Staat bemoeit zich niet met de Kerk: de benoeming van bisschoppen of aartsbisschoppen bijvoorbeeld kan uitsluitend binnen het kerkelijk instituut worden geregeld. De Staat verbindt zich er ook toe nooit tussenbeide te komen in religieuze aangelegenheden. Deze houding is op twee manieren te begrijpen: enerzijds wordt hiermee een streep getrokken onder de samenleving voorafgaand aan de Franse Revolutie, waar Kerk en Staat volledig in elkaar vervloeiden; anderzijds denkt de grondwetgever dat, wanneer iedereen zich alleen met zijn eigen zaken zou bemoeien, welvaart, geluk en vrede voor alle burgers mogelijk is.
Vrij snel komen de liberalen, die samen met de katholieken de grondwet hadden opgetekend, tot het besef dat ze door hun partners in de luren zijn gelegd. Geen bemoeienis van staatswege betekent ook geen controle en geen mogelijkheid tot inperking van katholieke activiteiten. Typerend hiervoor is de wildgroei van katholieke scholen en kloosters in de eerste decennia na de onafhankelijkheid, dank zij de grondwettelijke verenigingsvrijheid. Vervolgens blijkt dat de ambigue houding tussen Kerk en Staat deze situatie verder bevoordeelt. Toen de liberalen in 1846 voor het eerst in congres samenkomen, en bij die gelegenheid de Liberale Partij in het leven roepen, bestaat een van de amendementen uit de eis dat het burgerlijk gezag haar onafhankelijkheid moet behouden. Over de ‘onvoltooide’ scheiding van Kerk en Staat wordt geen woord gerept.
Pas aan het einde van de jaren 1850 komt dit op de politieke agenda te staan. De Gentse liberale jurist en antiklerikale schenenschopper François Laurent kan er niet over ophouden. En in Brussel was er een andere jurist, Jules Bara, die in deze bewustwording een cruciale rol speelt.
Bara verdedigt in 1859 zijn rechtendoctoraat aan de ULB. Hierin analyseert hij de grondwet en concludeert hij dat de scheiding van Kerk en Staat op los zand is gefundeerd. In feite zijn er slechts twee elementen die de absolute scheiding in de weg staan. Ten eerste vermeldt de grondwet dat het burgerlijk huwelijk voorrang heeft op het kerkelijk. In geval van een ‘scheiding’ was deze uitdrukkelijkheid overbodig geweest; desbetreffend grondwetsartikel speekt trouwens ook de godsdienstvrijheid tegen. Ten tweede zorgt de Staat – in praktijk: het Ministerie van Justitie – ervoor dat de ‘cultusbedienaren’ een loon ontvangen. Later zal de geniale Bara twee keer Minister van Justitie worden; de eerste keer was hij nog geen 30 jaar. Zijn politiek wordt gekenmerkt door een rabiaat antiklerikalisme: zo stuurt hij ooit zelfs een keertje de deurwaarder naar de aartsbisschop, in verband met een discussie over studiebeurzen.
Met Bara kruipen andere liberalen in de pen om de onvoltooide scheiding van Kerk en Staat aan te klagen. De Brusselse schepen van onderwijs Ernest Allard gaat nog een stapje verder. De inmenging van Katholieke Kerk en religie gaat dieper dan op het eerste gezicht gedacht. Wat met de kerkhoven die in hun geheel door de pastoor worden gewijd, en waar de vrijzinnigen in een uithoekje begraven worden tussen de moordenaars en andere verschoppelingen van de maatschappij? Wat met het onderwijs en de liefdadigheid? Wat met de ‘temporalia van de eredienst’, met andere woorden: alles wat nodig is om godsdienst te beleven zoals gebouwen, kazuifels en hosties? Wat dit laatste betreft kwomt er in 1870 een nieuwe wet op het beheer van de kerkfabrieken. Om een lang verhaal kort te maken: een kerkfabriek is wettelijk gezien niet in staat om schulden te maken. Gebeurt dat toch, dan is de gemeente, waaraan de kerkfabriek verbonden is, verplicht om financieel bij te passen. De gemeente is ook verplicht om de pastoor een woning aan te bieden.  
In de Kamer van Volksvertegenwoordigers is het Henri Bergé, parlementslid en voorzitter van de vrijdenkers van La Libre Pensée, die vurige pleidooien houdt voor de volledige scheiding omdat alleen dan het liberalisme – en die principes van vrijheid en vooruitgang – zich zouden kunnen ontwikkelen. Maar toch duurt het nog tot de late jaren 1880 alvorens de liberale partijtop eensgezind de scheiding van Kerk en Staat bovenaan haar prioriteitenlijstje plaatst. Kwatongen beweren dat de liberalen dat pas deden nadat ze tot het besef waren gekomen dat zij, door de opmars van de socialisten, in het parlement steeds minder gingen voorstellen.
Het pleidooi pro-scheiding is nooit echt tot alle liberale lagen doorgedrongen. Er kan zelfs worden beweerd dat na 1900 dit standpunt een soort van ideologische folklore werd, vergelijkbaar met de republikeinse ingesteldheid van de socialisten. Er zijn in die tijd andere hete hangijzers – de uitbreiding van het stemrecht bijvoorbeeld – die in het politiek discours meer aandacht vragen.
Toch zijn er nog een paar memorabele uitzonderingen. Eugène Goblet d’Alviella bijvoorbeeld, die later tijdens de Eerste Wereldoorlog als liberaal minister in de regering van Nationale Unie wordt  opgenomen, pleit in 1904 voor de afschaffing van de uitbetaling van lonen en pensioenen van de pastoors door de Staat. Tegelijk eist hij ook de afschaffing van alle subsidies voor de katholieke scholen. Maar Goblet is een uitzondering en de hele kwestie sterft een stille dood.
Vandaag is de onvoltooide scheiding tussen Kerk en Staat ook op andere domeinen merkbaar. Denk daarbij aan de religieuze feestdagen die tegelijk ook wettelijke verlofdagen zijn. De hoge protocollaire positie van de aartsbisschop. Of het gebruik van het Te Deum als een quasi-nationale plechtigheid. Blijft de vraag of het ijveren naar de absolute scheiding inderdaad een nevengedachte is. Is hier een maatschappelijk draagvlak voor? Maakt het eigenlijk allemaal iets uit? Vormt de scheiding een fundamenteel onderdeel vormt van de lekenstaat? Is België immers al lang niet een geseculariseerde natie?

Je kan inderdaad de vraag stellen of dit pleidooi vandaag opportuun is, in een land dat grotendeels ontkerkt lijkt. Maar actuele discussies rond het neutraliteitsprincipe gebieden ons om waakzaam te zijn. Kiezen voor de volledige scheiding betekent kiezen voor eenduidigheid, zonder achterpoortjes of interpretatiemogelijkheden. De lekenstaat mag zich niet laten leiden, noch beïnvloeden, door godsdienstige principes, gebruiken en noden. Godsdienst dient als een louter privé-aangelegenheid te worden gerespecteerd. Vanuit die benadering dienen ook de geldstromen vanuit de Staat  herbekeken te worden. Precies daarom is het pleidooi voor een volledige scheiding meer dan enkel folklore. 

donderdag 18 april 2013

Omschrijving van vrijmetselarij in 1981

In 1981 verscheen onderstaande tekst in nummer 8 van het intussen al lang vergeten tijdschrift Dwarsligger, dat als bijlage verscheen bij Het Vrije Woord, maandblad van het Humanistisch Verbond. In dit nummer werd het verschil tussen vrijzinnigheid (wat vandaag correcter vrijzinnig humanisme wordt genoemd), vrijdenkerij (met de nadruk op 19e- en 20e-eeuws antiklerikalisme) en vrijmetselarij uitgelegd. Wat dit laatste thema betrof trachte de (anonieme) auteur een bijwijlen nogal zweverig beeld van de maçonnerie te schetsen. Daarbij werd er vertrokken van de verkeerde veronderstelling dat er een mooie lijn te trekken was van de middeleeuwse operatieve 'metselaars' en de hedendaagse speculatieve 'vrij'metselaars. Wel maakt de auteur de terechte opmerking dat de link tussen vrijmetselarij en vrijzinnigheid niet zomaar mag worden gemaakt, hoewel de vrijmetselarij 'in ons land in de eerste plaats onder de vrijzinnigen en de vrije denkers wordt gerecruteerd'. Verder schrijft hij dat 'de band tussen vrijmetselarij en vrijzinnigen is uitgegroeid tot een nieuwe inhoudgevende, omvattende factor.' Aan het slot krijg je als lezer echter de indruk dat de vrijzinnigen zich beter tot de vrijmetselarij, het laboratorium van progressieve ideeën, zouden kunnen wenden, van zodra ze hun 'schuwheid' ten aanzien van ritualen en symbolen aan de kant zouden schuiven. Had de auteur maar een meer duidelijke tekst geschreven, dan zou je als geïnteresseerde vrijzinnige anno 1981 misschien wel geweten hebben wat nu de meerwaarde van vrijmetselarij was.  
 



 

vrijdag 23 november 2012

Visies op vrijmetselarij in de jaren 1980

Robert Dille, medeoprichter van het Humanistisch Verbond en de Unie van Vrijzinnige Verenigingen, die hij trouwens tussen 1972 en 1981 voorzat, schreef begin jaren '80 een geschiedenis van de vrijzinnigheid in Vlaanderen, die in het eerder obscure blaadje 't HaVeetje - maandblad van HV-Mortsel - verscheen. Aan het einde van de vierdelige reeks (verschenen tussen oktober 1982 en januari 1983) ging Dille kort in op de actuele toestand van de vrijmetselarij. Zelf was hij er ongetwijfeld bijzonder goed van op de hoogte: schooldirecteur Dille, geaffilieerd aan de Antwerpse werkplaats Marnix van Sint Aldegonde, leidde het Grootoosten van België in de tweede helft van de jaren 1960 als Grootmeester. Hij nam ook het initiatief om in de schoot van het GOB het Centre de Documentation Maçonniek (CEDOM-MADOC) op te richten. In Dille's overzicht (jg.5, 1983, nr.1, pp.10-11) lezen we:
 
"Een overzicht over de stand van zaken van de vrijzinnigheid zou niet volledig zijn, wanneer met geen woord zou worden gerept over betekenis en invloed, plaats en geestesgesteldheid van de vrijmetselarij in ons land, inzonderheid het Vlaamse landsgedeelte. Nu is het geen gemakkelijke opgave, aangezien de Orde van Vrijmetselaren - met haar discretie als gedragsregel voor ogen - geen 'officiële' publicaties bestemd voor het grote publiek vrijgeeft. Wel beschikken we over twee belangrijke werken, die niet zo lang geleden verschenen en die beide de twee grote stromingen behandleen die de Belgische vrijmetselarij kenmerken: een majoritaire en een minoritaire: het werk van een Werkgroep Vrijmetselaars in Vlaanderen, uitgegeven door Elsevier "Progressieve Vrijmetselarij" en het werk van pater Dierickx, de "Vrijmetselarij" de grote onbekende.
In globo blijkt daaruit dat men gerust kan stellen:
1. Dat het GOB, als zelfstandige maçonnieke grootmacht opgericht na de onafhankelijkheidsverklaring, van bij het begin een belangrijke rol heeft gespeeld in ons maatschappelijk leven;
2. Dat de vrijmetselarij in wezen een pluralistische instelling is;
3. Dat de vijandige houding van de Kerk t.o.v. de vrijmetselarij, dedze laatste heeft toegelatne de juiste maat te nemen vanhet onverdraagzaam en arrogant fanatisme van de Kerk. De heftigheid waarmee het Vatikaaan tegen de maçonnerie te keer is gegaan, de accenten die het in zijn diverse schakeringen van vervloekingen wist te leggen, het verbaal geweld dat daarmede gepaard ging, zijn door niemand overtroffen! Geen wonder dus dat de Belgische  vrijmetselarij - waaraan de toegang door de Kerk aan alle gelovigen op straffe van hellebrand strikt verboden - een duidelijk antiklerikaal en vrijzinnig cachet krijgt. En deze karaktertrek heeft zij behouden althans wat het GOB betreft. Haar gehechtheid aan het Vrij Onderzoek, dat zij als een credo belijdt, heeft ze van bij de aanvang duidelijk gesteld en in concreto uitgedragen door de stichting - in 1834 reeds - van de Vrije Universiteit Brussel, de 'universiteit van de Loge' zoals zij nu nog soms smalend door tegenstanders wordt genoemd.
4. De splitsing die zich in de Belgische vrijmetselarij rond de jaren 1960 heeft voltrokken was het gevolg van interne spanningen rond belangrijke filosofische stellingen, die uiteindelijk hun beslag kregen door de afscheiding van een minderheid van maçons en de oprichting van de Grootloge van België. Deze obediëntie verkoos de erkenning door de dogmatische ingestelde angelsaksische maçonnerie en het Grootoosten der Nederlanden, boven het behoud van de Belgische maçonnieke eenheid. Recente moeilijkheden in de schoot van de GLB rond dezelfde problemen hebben tot een nieuwe afscheuring aanleiding gegeven. Een en ander blijkt echter aan de hechtheid en de uitstraling van het GOB - veruit thans de belangrijkste Belgische vrijmetselaarsorganisatie - en van de gemengde DH niets te hebben gewijzigd en aan hun vrijzinnige opstelling in niets te hebben beïnvloed."
 
De standpunten van Dille, zowel naar de profane buitenwereld als wat de interne keuken betreft, zijn opvallend veel stringenter dan vandaag. Het is verder opvallend dat de generatie-Dille enerzijds haar maçonnico-antiklerikale houding onderstreept, maar anderzijds wel het boek van de jezuïet Dierickx als referentie aanhaalt. Het doet mij eraan denken dat ik een paar jaar geleden nog eens een geleide rondwandeling in de tempels van de Lakensestraat meemaakte - als toeschouwer - waarbij de gids in zijn gezegende leeftijd nog steeds dat boek als beste introductie tot de vrijmetselarij aanhaalde.

vrijdag 4 mei 2012

Taxil's antiklerikalisme

Gabriel Jogand-Pagès (1854-1907) was een Frans journalist, afkomstig uit Marseille, en stond bekend onder vele synoniemen. Een daarvan was Léo Taxil, waaronder hij tal van boeken volschreef over de vermeende band tussen vrijmetselarij en satanisme. Je zou bijna kunnen zeggen dat Taxil in zijn eentje zowat verantwoordelijk is voor de haast onuitroeibare mythe dat er in de loges de duivel aanbeden wordt (en als het een beetje tegenzit verschijnt hij ook nog tijdens zo een sessie, al dan niet vergezeld van zwaveldampen). Over Taxil ga ik het later nog hebben. Maar de grote antimaçon - en zwendelaar, voor alle duidelijkheid - was op de eerste plaats een antiklerikaal. Dat wil zeggen, vanuit plat opportunisme en enige commerciële ingesteldheid maakte hij jarenlang de Katholieke Kerk belachelijk, waarbij hij meer dan eens over de schreef van laster ging, met tal van schadeclaims en gevangenisstraffen tot gevolg. Taxils antiklerikalisme werd abrupt stopgezet in 1885, in de onmiddellijke nasleep van paus Leo XIII's encycliek Humanum genus tegen de vrijmetselarij. Net zoals Saulus die op weg naar Damascus van zijn paard werd gebliksemd, en daarmee een bocht van 180° maakte en de apostel Paulus werd, zo werd Taxil in dat jaar van de gevreesde antiklerikaal de grote verdediger van de katholieke waarden. Hij bekeerde zich en begon zichzelf, vanuit zijn zeer kortstondig logelidmaatschap - na 3 weken hadden ze hem er al weer uit gegooid - te profileren als dé grote specialist van de vrijmetselarij, de infiltrant die eindelijk alle waarheid over het genootschap aan de grote klok zou hangen. Maar over Taxils antimaçonnieke campagne, die uiteindelijk 12 jaar zou duren, ga ik het nu niet verder hebben. Wel over zijn antiklerikale werken, die zowel voor 1885 als na 1897 een absoluut hoogtepunt - of dieptepunt, het hangt er vanaf hoe je het bekijkt - van het antiklerikaal discours vormden. Dat antiklerikaal discours was gemeengoed in katholieke landen zoals Frankrijk en België. Zeker in de laatste decennia van de 19e eeuw werd de grens tussen vrijzinnigheid, antiklerikalisme en antireligiositeit meermaals overschreden. Zo ook Taxil met  boeken zoals La bible amusante, La vie de Jésus, Les amours secrètes de Pie IX, Les maîtresses du pape, en zo verder. Je kon het nog niet zo gek bedenken of Taxil had erover geschreven. Uiteraard waren de verhalen over pausen, priesters, paters en nonnen niet zelden volledig verzonnen of zodanig overdreven dat het absurd werd. Het is echter typisch dat mensen geneigd zijn de meest ongeloofwaardige dingen te willen geloven dan zaken die veel realistischer zijn. Anders gezegd: hoe absurder, hoe meer volgelingen. Om maar een voorbeeld te geven van zo een absurde redenering: de mythe dat een pas verkozen paus moet plaatsnemen in een stoel met een gat in de zitting, en dat vervolgens een van de kardinalen langs onder moet voelen of diegene die zit wel degelijk mannelijk is, en daarbij de formule 'Testiculos habet et benependentes' uitsprak zou een verzinsel van Taxil zijn. Het merendeel van zijn antiklerikale (en ook de antimaçonnieke) werken zijn integraal consulteerbaar via de fantastische website gallica.fr, waarvan ook onderstaande aankondigingen zijn gekopieerd.