Alles over vrijmetselarij en genootschappen: geschiedenis, reviews, weblinks.
Posts tonen met het label Protocollen van de Wijzen van Zion. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Protocollen van de Wijzen van Zion. Alle posts tonen

maandag 17 september 2012

Recensie: De Begraafplaats van Praag

Het laatste boek van Umberto Eco, De Begraafplaats van Praag, verscheen in 2010 in het Italiaans, gevolgd door vele vertalingen - waaronder het Nederlands vorig jaar - wat in totaal goed is voor een paar miljoen verkochte exemplaren wereldwijd. De werken van de nu 80-jarige Eco, voormalig hoogleraar semiotiek en voordien onder andere verbonden aan de Universiteit van Bologna, zijn - wat je zou kunnen noemen - 'Dan Brown voor gevorderden'. Vergeet Dan Vinci Code, Angels and Demons en The Lost Symbol: wie echt over complottheorieën en cultuurgeschiedenis in romanvorm wil lezen is beter af met De Slinger van Foucault, De Naam van de Roos en nu dus Il cimitero di Praga. Eco vertelt een lang verhaal, dat in een kleine 500 pagina's het leven samen vat van Simone Simonini en de lezer meeneemt naar de tweede helft van de 19e eeuw. De opeenvolgende gebeurtenissen, waar Simonini getuige van is, behoren tot de meest ophefmakende van de eeuw: de eenmaking van Italië, de Commune van Parijs en de Dreyfus-affaire. Het boek biedt een geslaagde mix van historische feiten en fictie, opgehangen aan het verzonnen personage van Simonini. De nevenfiguren waren bestaande individuen, of werden daar ten minste toch op gebaseerd. In de meeste gevallen laat Eco zijn fantasie de vrije loop, zodat het predicaat 'gebaseerd op waargebeurde feiten' wel heel breed wordt. Of zie je het al gebeuren dat het hoofdpersonage ene Sigmund Froïd, een Oostenrijkse jood of een Duitse jood (volgens Simonini bestaat er geen verschil tussen) en arts, in een Parijse brasserie tegen komt, en die hem introduceert in de menselijke psyche? 
De vermenging van feiten en fictie werkt uitstekend: het boek is opgebouwd als een opvolging van dagboekfragmenten, al dan niet samengevat en becommentarieert door een externe 'verteller', waarvan het nooit duidelijk wordt om wie het eigenlijk gaat. Het dagboek start op 24 maart 1897, en de 67-jarige Simonini heeft kennelijk een dag uit zijn geheugen gewist. Om tot moment te kunnen terugkomen begint hij zijn leven van begin af aan te noteren, gekruid met een overvloed aan cynisme. Simonini is een mooi voorbeeld van een misantroop, die kennelijk zijn hele leven lang geen zier om zijn medemens heeft gegeven, noch om zijn familie, en zeker niet om zijn vrienden. Die heeft hij trouwens niet. Ook geen relatie, geen enkele seksuele interesse - en is daar nog best fier op ook - en eigenlijk geen interesse tout court voor iemand anders dan zichzelf. Een ding kan Simonini echter mateloos boeien: geld verdienen op onwettige wijze. Dat kan dan worden uitgegeven aan somptueuze maaltijden. Zo nu en dan biedt Eco letterlijk een blik in de 19e-eeuwse keuken met recepten die naar onze waarden vandaag op zijn minst bedenkelijk zouden zijn: te weinig afgekruid, onvoldoende rekening gehouden met de gaartijden en vooral mislukte cuisson. Simonini lijdt aan een dubbele persoonlijkheid, het gevolg van de gebeurtenissen van de vergeten dag. In het dagboek neemt met regelmaat ene abbé Dalla Piccola de pen over en beticht dan vaak Simonini van allerhande ontoelaatbaarheden. Dat op zijn beurt Simonini aan het adres van Dalla Piccola. Waarop Dalla Piccola van wederwoord dient. Enfin, best wel interessant zo een dubbele persoonlijkheid: je vindt altijd wel iemand om mee ruzie te maken. 
Met dit gegeven als vertrekpunt bouwt Eco aan een wervelende roman, die zich steeds op de tweesprong tussen fictie en werkelijkheid bevindt, en waarvan de lezer zich constant de vraag moet stellen op welk been hij nu weer door de auteur wordt gezet. Het verhaal wordt pas écht interessant als je enige notie hebt van de 19e eeuwse geschiedenis van Frankrijk en Italië, die in de roman bijzonder levendig wordt verteld. Eco beschrijft onder meer de Commune van Parijs in die mate, dat je jezelf gelukkig prijst hem zelf niet te hebben meegemaakt. Simonini ontmoet grote persoonlijkheden zoals Garibaldi, maar is evengoed - onrechtstreeks - betrokken bij de ontketening van de Dreyfus-affaire en ligt aan de bakermat van de Protocollen van de Wijzen van Zion. Dat boek werd op haar beurt mede door mafketel generaal Ludendorff na de Eerste Wereldoorlog in Duitsland ingevoerd en bood Hitler en consoorten gefundenes Fressen voor het nazistisch wereldbeeld van het 'eeuwige jodendom'.
Eco vond zijn inspiratie voor Simonini trouwens in de literatuur rond het complotdenken, met joden, vrijmetselaars en anderen in de hoofdrol. Er heeft immers een echte kapitein Simonini bestaan: de man correspondeerde rond 1816 met abbé Barruel, die rond 1800 met Mémoires pour servir à l'histoire du jacobinisme de grote klassieker van het contrarevolutionair complotdenken had geschreven. In een tweeduizendtal pagina's stelde Barruel dat de Illuminati, samen met jacobijnen en een reeks andere 'geheime' en occulte genootschappen de Franse Revolutie van 1789 hadden veroorzaakt. Over een mogelijks joods aandeel in dit complot had Barruel het niet, en het was precies daarover dat Simonini hem een brief schreef. In Eco's roman is deze Simonini de grootvader van het hoofdpersonage. In werkelijkheid was de Simoninibrief één van de eerste aanzetten om tot het anti-joods complotdenken te komen, verder uitgewerkt door het - effectief bestaande - pamflet Het joods kerkhof van Praag. Zowat alles wat Eco aanhaalt - Biarritz, Dialogue aux enfers entre Machiavel et Montesquieu - hebben ook effectief bestaan en vormden de basis van de beruchte Protocollen.
Met deze roman toont Eco niet alleen zijn historische kennis, maar laat hij ook inderdaad blijken dat hij het belang van complotten en complotdenkers in de 19e-eeuwse samenleving ten volle heeft begrepen. Hij plaatst deze ook in de juiste context en geeft bijvoorbeeld ook een zeer accurate beschrijving van Léo Taxil als een derde rangs bedrieger. Eco illustreert dat je effectief maar een handvol mensen met verkoopstalent nodig hebt om de meest waanzinnige complottheorieën te construeren die, jaren later, nog steeds in het collectieve geheugen van de mensen ingekapseld zijn. Dat er binnen de oudere generatie nog steeds mensen het verhaal aanhalen van de vrijmetselaars die 'iets' met de duivel te maken hadden, is het beste voorbeeld van het langdurend effect van een complottheorie verzonnen door Taxil en co.
Kortom, Eco presenteert een best genietbaar boek met een zeker thrillergehalte dat de lezer vooral wil leiden naar de beschrijving van die ene dag, die om een of andere reden uit het geheugen van het hoofdpersonage is verdwenen. Wie echter minder thuis is in de materie kan in de loop van het verhaal wel zijn weg in de eruditie kwijt geraken.

Eco, Umberto. De Begraafplaats van Praag. Amsterdam, Prometheus, 2011, 496 p., € 12,50 bij proxis.

maandag 15 november 2010

Canonbury 2010 (1)

Canonbury Masonic Research Center is een Londense private instelling die jaarlijks een wetenschappelijk congres rond een bepaald thema, gelinkt aan vrijmetselarij, organiseert. Grote initiatiefnemer en sponsor is Spencer Compton, 7e markies van Northampton, en de facto Grootmeester van de United Grand Lodge of England tussen 2001 en 2009. Het academisch niveau van Canonbury is niet altijd even hoog geweest, maar de laatste jaren gaat het de goede kant uit, mede dank zij congresorganisator Matthew Scanlan, redacteur van het vaktijdschrift Freemason Today, die trouwens ook als Ph.D-student aan de Universiteit van Leiden is ingeschreven. Deze twaalfde editie van het Canonburycongres had antimaçonnisme als centraal vertrekpunt. Een onderwerp dat ondergetekende nauw aan het hart ligt aangezien daar eigen doctoraat over gaat – en dat tot nader orde nog altijd niet richting voltooiing gaat. In ieder geval was de aankondigingsposter voor mij zeer herkenbaar: een verkiezingsaffiche uit 1912, opgesteld door de Belgische Antivrijmetselaarsbond van Valentin Brifaut. Gek genoeg sprak op het congres zelf niemand over België, noch over die periode. Ondergetekende ging het, op verzoek van de congresorganisator, het over de gekke generaal Ludendorff hebben.

Plaats van afspraak was de Canonbury academie in een buitenwijk van Londen, op zaterdag 30 en zondag 31 oktober 2010. Zestien sprekers en een viertal keynote-speakers behandelden een breed gamma aan onderwerpen, locaties, en periodes. De vrijdagavond werd ingezet met een vertoning van Forces occultes in University College London, dat voor de rest los stond van de congresorganisatie. De berucht Vichy-propagandafilm uit 1943, waarin de Franse vrijmetselarij als complotteurs en oorlogsstokers werd uitgebeeld, was voorzien van Engelse ondertiteling afgeleverd door het intussen ter ziele gegane Center for Research into Freemasonry and Fraternalism van de Universiteit van Sheffield. Helaas was de beeldweergave beduidend minder dan de versie die ik op VHS en DVD heb – de DVD, een Franse becommentarieerde heruitgave van een paar jaar geleden, was er visueel al op achteruit gegaan. De film zelf was ook niet voor de eeuwigheid bedoeld, wat sowieso voor conservatieproblemen zorgde.

Een panel, bestaande uit Timothy Baycroft en drs. Jen Ferrar (beiden Sheffield), zorgde voor een nabespreking met als meest interessante vaststelling: de film is niet enkel tegen de vrijmetselarij gericht, maar valt zowat iedereen aan: de joden, communisten, parlementairen, liberalen, bankiers, kleine zelfstandigen, militairen, industriëlen, politici in het algemeen – zodat het voor de toenmalige toeschouwer wel heel moeilijk moet zijn geworden om bij het verhaal aansluiting te vinden.

Zaterdag 30 oktober dan. De ochtendsessie met referaat van Michael Hagemeister (Ludwig-Maximilans Universität München) over de Protocollen van de Wijzen van Zion. Niet echt nieuwe informatie, maar wel interessant om alles even op een rijtje te horen. Volgens Hagemeister is het nog steeds niet duidelijk wie precies in welke mate betrokken was bij de publicatie van het beruchte pamflet in 1905. De titel ‘Protocollen’ is trouwens misleidend: het gaat om een zogezegde uitgeschreven speech waarin onbekenden de strategie verkondigen die tot de wereldheerschappij van de joden zal leiden. Deze strategie zou uiteindelijk tot het Joodse Koninkrijk voeren, en doet daarmee denken aan teksten over de naderende komst van de Antichrist. Een van die teksten is een ‘kortverhaal’ van Vladimir Solovjov uit 1900, waar de Antichrist wordt voorgesteld als een supermens en een weldoener die met hulp van de vrijmetselaars aan de macht komt. Toevallig verwijst ook mgr. Léonard in een bijdrage in het boek Continent op drift (Hans Verboven, ed. – Pelckmans 2010) naar exact dezelfde tekst. De heerschappij van de Antichrist doet denken aan een dictatuur van het proletariaat of als Utopia, zoals dit wel vaker in de Russische literatuur wordt voorgesteld. Terug naar de Protocollen nu. Ze zijn een ‘open tekst’, wat tot groot voordeel heeft dat ieder er zijn eigen interpretatie of invulling aan kan geven. Een beetje zoals de Belgische Grondwet dus. Sergei Nilus zou aan de basis liggen van de versie die uiteindelijk werd gepubliceerd. Nilus, door Umberto Eco vermeld in De Slinger van Foucault, geloofde in de naderende terugkomst van Christus en het einde der tijden; de heerschappij van de Antichrist gaat immers deze van Christus vooraf. Bij hun publicatie kenden de Protocollen nauwelijks weerklank. Connecties met progroms werden niet gemaakt. Het succes van de Protocollen was pas na de Eerste Wereldoorlog merkbaar, en dan vooral buiten Rusland. In 1920 verwees The Times ernaar als ‘The Jewish peril’ en noemde het ‘a disturbing pamphlet that called to attention’. In de Verenigde Staten publiceerde autobouwer Henry Ford lovende kritieken. In werkelijkheid waren de protocollen een herwerking van een veel oudere tekst: Dialogue entre Machiavell et Montesquieu dans l’enfer uit de jaren 1860, een satire gericht tegen Napoleon III. Ongeveer 40% van de tekst van de protocollen is hieruit geparafraseerd. Een andere inspiratiebron vormde Biarritz van Hans Götsche alias sir John Redcliffe, handelend over een geheime bijeenkomst op het joods kerkhof van Praag. Maar wie bracht nu die bronnen bij elkaar en zorgde voor het plagiaat ervan? In de jaren 1930 werd in Bern een proces aangespannen om de echtheid van de Protocollen te onderstrepen. De grote promotor ervan, op dit proces, was de zogeheten Weltdienst van de rabiate Duitse antisemiet Ulrich Fleischhauer. De Weltdienst was een soort van antisemitisch en internationaal nieuwsagentschap met sektaire neigingen. De Gestapo vond het zaakje bijzonder verdacht. Fleischhauer stapte naar Bern met een hele trukendoos vol antisemitische stereotypen, waarmee hij feitelijk zijn eigen pleidooi sloopte. De rechtzaak besloot dat de Protocollen wel degelijk plagiaat waren, maar in hoger beroep, in 1937, werd bepaald dat de publicatie niet onder de wet van ‘onbetamelijke literatuur’ viel zodat een verbod niet kon worden afgedwongen. Sommige zagen hierin, volgens een bepaalde logica, een bevestiging van de authenticiteit. Globaal gezien was het Bern-proces een vrij dubieus gebeuren gevuld met dubieuze getuigenissen. Hoe dan ook werden in Duitsland geen herdrukken of heruitgaven van de Protocollen meer doorgevoerd na 1939. Hannah Arendt maakte later trouwens de opmerking dat er wel meer dan één overeenkomst tussen de protocollen en de strategie van het nazisme te maken was. Misschien daarom dat de nazi’s, eens beleidsmakers geworden, met dit soort dubieuze stellingen niet meer wensten geassocieerd te worden.
De paper (of toch een eerdere versie ervan) kan op deze link worden nagelezen.