Alles over vrijmetselarij en genootschappen: geschiedenis, reviews, weblinks.

maandag 24 september 2007

De Tuin van Heden

Afgelopen vrijdag 21 september werd ere-rector Els Witte aan de Vrije Universiteit Brussel gehuldigd naar aanleiding van haar emeritaat. Ter gelegenheid werd een "liber alumnorum" (niet amicorum) aan de gevierde en aan het publiek voorgesteld. In dit zeer lijvig boek worden 15 artikels over de stand van onderzoek naar thema's uit de contemporaine historiografie samengebracht. De behandelde thema's zijn politieke partijen, vakbewegingen, feminisme, Vlaamse Beweging, intellectuelen, politieke elites, sociaal beleid, cultuurbeleid, kolonialisme, militaire geschiedenis, politicologie, communicatiewetenschappen en vrijmetselarij, waarbij de bijdrage van ondergetekende afkomstig is. In alle eerlijkheid en in valse bescheidenheid is dit een sleutelwerk voor iedereen die zijn weg wil banen in het wetenschappelijk onderzoek naar deze thema's. Het nadeel aan dit werk is echter de beperkte houdbaarheid: het gaat natuurlijk om de stand van zaken anno 2007. Geen geschikte trein- of bedlectuur, dat niet, maar wel een referentiewerk dat in iedere ernstige bibliotheek thuishoort.
KOPPEN (Jimmy). 'Tussen wetenschap en pseudo-historiografie. Onderzoek naar vrijmetselarij in België,' pp.209-231.
VANTHEMSCHE (Guy), DE METSENAERE (Machteld) & BURGELMAN (eds.). De Tuin van Heden. Dertig jaar wetenschappelijk onderzoek over de hedendaagse Belgische samenleving. Een bundel studies aangeboden aan professor Els Witte naar aanleiding van haar emeritaat. Brussel,VUBPRESS, 2007, 658 p.

woensdag 19 september 2007

Shriners

Het motto “het leven is al ernstig genoeg” lijkt ook voor de Amerikaanse vrijmetselarij van toepassing te zijn. Amerikanen staan nu eenmaal niet bekend om hun ingetogenheid en bescheidenheid. Op het vlak van de Amerikaanse maçonnerie is dat anders. Niet alleen maken Amerikaanse vrijmetselaars zelden of nooit een probleem van hun logelidmaatschap: ze lopen er soms uitdrukkelijk mee te koop. Ringen met opzichtige passers en winkelhaken, baseball-petjes met de slogan “Proud to be a Mason” en reclameboodschappen op tv – op youtube en andere videosites zijn er meerdere voorbeelden te bekijken – zijn daar helemaal niet eigenaardig. De meest opvallende – en zoals je wil, meest lachwekkende – uiting van Amerikaanse en maçonnieke inspiratie is de Ancient Arabic Order of the Nobles of the Mystic Shrine, kortweg “The Shrine”. “Shriners” behoren tot de één van de grootste en meest populaire para-maçonnieke genootschappen. Iedere shriner is trouwens steeds vrijmetselaar, maar niet iedere vrijmetselaar is een shriner. Shriners zeggen van henzelf dat “(they) are dedicated to fun and fellowship... but with a serious purpose”. Over heel de Verenigde Staten bezitten en beheren ze 22 kinderziekenhuizen, die haast gratis werken.
Maar waar komen die shrines vandaan? In de eerste decennia van de 19e eeuw werd alkohol systematisch uit de maçonnieke tempels verbannen, zodat tegen 1850 zowat iedere Grootloge was drooggelegd. Dat gold niet enkel voor de bijeenkomsten van de blauwe graden, maar ook van de hogere graden. De maçonnieke arbeid werd bijgevolg, zowel letterlijk als figuurlijk, een droge bedoening. In 1870 kwamen enkele New Yorkse broeders regelmatig samen in een plaatselijk restaurant. Het gesprek ging vaak over het gebrek aan amusement in de werkplaats. Eén van hen, een rondreizend acteur genaamd Billy Florence, vertelde op een keer dat hij na afloop van een voorstelling voor een Ottomaans diplomaat in Marseille een licht amusementsstuk bijwoonde. In die periode gebeurde het wel vaker dat ernstig toneelwerk werd gevolgd door een wat luchtigere afsluiter. In dit geval werd er een korte, muzikale komedie opgevoerd over een oud, geheim genootschap, en dat zich ergens in het midden-oosten afspeelde. De acteurs en zangers droegen Arabische kostuums en aan het slot werd het hele publiek ingezworen als leden van dit fictieve genootschap met hoog entertainmentgehalte.
Eén van de andere aanwezigen in het New Yorkse restaurant, dr. Walter Fleming, vond dit een geweldig concept. Samen met de drie andere broeders werd er ter plaatse een soort van mystiek Arabisch en maçonniek ritueel verzonnen. In 1872 werden deze wilde plannen in werkelijkheid omgezet door de oprichting van The Mecca Temple of the Ancient Arabic Order of the Nobles of the Mystic Shrine, met Fleming aan het hoofd als “potentate”. Er werden bijpassende “regalia” gezocht, zoals de Marokkaanse fez met zwarte kwast, met daarop een juweel samengesteld uit een halve maan, een vijfpuntige ster, een zwaard en een sfinksenhoofd.
In de eerste jaren bleef The Shrine vrij beperkt van omvang. Maar vanaf 1876, met nieuwe, uitgebreide inwijdingsritualen, de invoering van een verzonnen geschiedenis en een intensieve PR-campagne, ging het het genootschap voor de wind. In 1890 waren er 50 shrinetempels in de Verenigde Staten en Canada met 7 500 leden; in 1900 waren er dat al 79 met 50 000 leden. Symboliek en intellectuele diepzinnigheid moest er niet worden verwacht: daarvoor diende de “normale” werkplaats. Drank, eten, sigaren en andere vormen van gezelligheid des te meer.
In de nasleep van een polio-epidemie in 1919 besliste The Imperial Grand Council – het hoofdbestuur van The Shrine – om een eerste kinderhospitaal te bouwen. Patiënten onder de 14 jaar, en later onder de 18 jaar, wiens ouders een ziekenhuisopname niet konden betalen, werden gratis behandeld, ongeacht religie, huidskleur of nationaliteit. Vandaag besteden de shriners, aan de hand van schenkingen, lidgelden en liefdadigheid, dagelijks $ 1 600 000 aan de instandhouding van hun 22 kinderziekenhuizen.
Shrines hebben een inwijdingsritueel met veel dramatiek, waarbij de kandidaat “het hete woestijnzand” moet doorkruisen. Shrinetempels of Shrinecentra, zoals ze meestal vandaag worden genoemd, zijn zeer groot in omvang, zodat vaak honderden tot duizenden leden tegelijk aanwezig kunnen zijn. Vaak zijn er maar enkelen per Amerikaanse staat. Iedere tempel heeft zich daarom opgedeeld in clubs of eenheden, gebaseerd op persoonlijke interesses of hobby’s. Zodoende kunnen tempels opgedeeld zijn in eenheden van motorrijders, old-timereigenaars, fanfaremuzikanten, clowns en schilders – de mogelijkheden zijn eindeloos. Shriners organiseren parades, met heuse verkleedpartijen, en rondtrekkende circussen, met als doel zoveel mogelijk schenkingen te kunnen ontvangen... en plezier te beleven.

donderdag 16 augustus 2007

Tentoonstelling Waterloo: verslag

Aangezien het gisteren toch maar pokkenweer was leek het ons een ideaal moment om een duffe feestdag op te monteren met een museumbezoek. En ik had Aux portes du Temple in Waterloo nog op mijn verlanglijstje staan. Dus naar ginder, hoewel ik uit één van mijn vorige blogberichten al mijn bezorgdheid over de aanpak van deze maçonnieke tentoonstelling had uitgedrukt. Zou mijn vrees bewaarheid worden? Als we de kranten mogen geloven heeft de tentoonstelling de afgelopen maanden al heel wat volk over de vloer gehad. Maar een hoge publieksopkomst staat niet altijd garant aan kwaliteit. De locatie van de tentoonstelling was wel veelbelovend: het Wellingtonmuseum. In dit huis verbleef Wellington de nacht vóór hij de troepen van Napoleon in de pan hakte. Het museum biedt een overzicht van de slag van Waterloo en de figuur van Wellington. Allemaal heel interessant en historisch relevant, maar opgesteld in een stofferig decor. Een hedendaags museum zou echt niet meer met zo een oubollige visie mogen werken. En daartussen was de gelegenheidstentoonstelling opgesteld. Daardoor kon er niet van een parcours sprake zijn: in een aantal kamers stonden maçonnieke voorwerpen opgesteld, dan volgde weer een aantal kamers Wellingtonspullen - inclusief een levensgrote pop die de man zelf moest voorstellen; hij liet mijn vrouw een half metertje in de lucht springen van verschieten - gevolgd door een voor 1/3 gevulde zolder met een nagebouwde vrijmetselaarstempel, dan weer wat kamers oorlogsmateriaal, en tenslotte op het gelijkvloers een laatste ruimte met plannen van één of andere tempel. Dat is alvast één punt van kritiek. Tweede punt betreft het ontbreken van een audio-gids, die wel voor de rest van het museum ter beschikking stond.
En dan de inhoud. Volgens de folder wenste de tentoonstelling de link te leggen tussen de slag van Waterloo en de vrijmetselaars hier aanwezig zoals Wellington, Blücher, Grouchy en Ney. Ik heb die link nog steeds niet gevonden. Laat mij even de opstelling van de expositie overlopen, en misschien vindt u hem wel.
Eerste kamer: wat is vrijmetselarij. Ja, wat is het eigenlijk? Zonder enige voorkennis kan je er niets van maken. We vinden hier foto's van Nobelprijswinnaar Henri la Fontaine, inclusief de koffer met zijn Nobelprijsdiploma. Bij mijn weten was ten tijde van 1815 nog lang niet geboren. Tweede kamer: schootsvellen. Interessant hierbij was het schootsvel van Jérôme Bonaparte, jongere broer van. Veel verdere uitleg over de man was er niet. Derde kamer: de hogere graden. Uitvergroot overlijdensbericht van Goswin de Stassart (zonder maçonnieke symboliek). Schootsvellen, afgewisseld met linten en medailles. Derde kamer: gemengde vrijmetselarij. Schootsvellen. Adoptieloges waren zeer populair in de napoleontische periode, maar alle aandacht ging hier naar Le Droit Humain, heel veel decennia na Waterloo opgericht. Ook nog in die kamer aandacht voor het antimaçonnisme: Taxil, Antivrijmetselaarsbond, De Bezem. Niets of niemand die iets met Napoleon heeft te maken. Ten slotte was er nog een vitrine met beroemde vrijmetselaars. Ik krijg daar ingegroeide teennagels van. Wat heb je er nu aan dat Charles de Coster vrijmetselaar was? Generaal MacArthur was dat ook, maar die wou in de jaren '50 nog Korea met atoombommen platsmijten. Mooie maçonnieke gedachte, denk ik dan. Op dat ogenblik sneed mijn vrouw de voordelen van de draagdoek voor ons zoontje als nieuw gespreksthema aan. De aandacht voor de massaal aanwezige schootsvellen was verdwenen.
Het onvolprezen hoogtepunt van de tentoonstelling was echter de nagebootste tempel op zolder. Jongens, jongens! Spullen van de hobbywinkel die met plakband aan elkaar waren gehouden (echt waar: één driehoek was al los gekomen). Op één van de drie stoelen lag - drie keer raden - een schootsvel. Wat was hiervan de bedoeling? Met uitzondering van een zweverig gedicht over de tempel als ontmoetingsruimte geen enkele - geen enkele! - info over wat de betekenis van de tempel nu is, laat staan wat er gebeurt. Bovendien was de oppervlakte veel te klein, en dus totaal onrealistisch. De tempel gaf, in deze toestand, enkel ruimte voor een viertal personen, liefst in dwergformaat. Daarnaast opnieuw panelen met grote vrijmetselaars. Iconen zoals Oliver Hardy en Atatürk, die echt wel veel invloed hebben gehad ten tijde van Waterloo... Intussen bleef dat ene logelied van Mozart zich herhalen. Ik heb die CD trouwens ook, een echte aanrader.
Het slotpunt van de tentoonstelling was een aparte kamer, enkel bereikbaar via de binnenkoer. Nog steeds vraag ik mij af wat hiervan de bedoeling was. Niets anders dan tekeningen en bouwplannen van een fictieve tempel in piramidevorm (ter vervanging van de leeuw enkele kilometers verder, zou je je afvragen...) en een drietal geschilderde tableau's. Als je niet weet wat dat zijn heb je wel pech gehad.
Eindconclusie: deze tentoonstelling is een flauw afkooksel van het Museum van de Vrijmetselarij in de Brusselse Lakensestraat, wat wel de moeite is. Het was typerend dat er in de derde kamer voor dit Museum "reclame" werd gemaakt. Al bij al is deze tentoonstelling niet alleen slecht maar ook - wat veel erger is - oersaai. Slechts één advies voor de lezer dezes: blijf daar weg!

vrijdag 20 juli 2007

Recensie Vrij denken in politiek, religie en vrijmetselarij

In samenwerking met de maçonnieke uitgeverij Fama verscheen een tweetal jaar geleden Vrij denken over religie, politiek en vrijmetselarij van Mat Herben. De auteur was een tijdlang, tegen wil en dank, bekende Nederlander toen hij na de moord op Pim Fortuyn in mei 2002 min of meer de leiding van diens partij overnam (en daarna ook mee aan de basis lag van haar roemloze ondergang). Herben was hoofdredacteur van het voorlichtingsmagazine van het ministerie van Defensie, werd in maart 2002 woordvoerder van Fortuyn, nadat deze een eigen partij (Lijst Pim Fortuyn) had opgericht na diens verwijdering uit Leefbaar Nederland omwille van vermeende islamofobe uitspraken. In de jaren ’90 was de katholiek Herben trouwens enige tijd Achtbare Meester van de toch wel niet onbelangrijke Haagse werkplaats Via Lucis. Professor in de Sociologie Fortuyn maakte een (in hoofdzaak mediagenieke) blitzcarrière met rechtse standpunten gericht tegen het falend beleid van het paarse kabinet-Kok. Fortuyn werd enkele dagen vóór de Tweede Kamerverkiezingen in Hilversum overhoop geschoten. Dit had twee gevolgen: 1, de LPF won in één klap 26 zetels en werd incontournable bij de nieuwe regeringsvorming van CDA’er Balkenende. 2, de overgrote meerderheid van deze verkozenen hadden nauwelijks of geen kaas gegeten van het politiek bedrijf, inclusief Herben, en vulden de weken die volgden met openlijk ruziemaken. Het kabinet-Balkenende I was in feite een kroniek van een aangekondigde dood: daags na de uitvaartplechtigheid van Prins-Gemaal Claus in oktober 2002 was het ermee afgelopen. De LPF slaagde er niet in zich te herpakken, om uiteindelijk bij de verkiezingen van 2006 geen enkele zetel meer over te houden; slechts hier en daar is er op gemeentelijk niveau nog een LPF-raadslid te vinden. Morgen 21 juli komt de LPF trouwens samen om, naar alle waarschijnlijkheid, de partij te ontbinden.
Herben heeft dus enige tijd in het middelpunt van de politieke belangstelling gestaan, en ik hoopte aan de hand van dit boek de man en zijn ideeën wat beter te leren kennen. Ijdele hoop. Vrij denken is een slordig samengesteld boek, bestaande uit een reeks van korte teksten waarvan het niet duidelijk is wat ze zijn: herwerkte interpretaties in de Tweede Kamer? Opiniestukken? Getranscribeerde interviews? Bouwstukken? Een inleiding als dusdanig ontbreekt, net als een conclusie, om dit duidelijk te stellen. Het valt trouwens niet te ontkennen dat de geest van Fortuyn door het hele boek heen zweeft. Het geeft je zo het gevoel van “wat zou Pim hiervan denken of hebben gevonden?”. Eveneens ergerlijk is Herbens profilering als pseudo-filosoof. Zo weet je nooit met welke stem hij spreekt: als politicus, opiniemaker of vrijmetselaar? Op geen enkel moment deelt hij ook mee dat zijn politieke denkbeelden al dan niet door zijn maçonnieke achtergrond gevormd zijn. Zijn aanhankelijkheid aan het katholicisme is ook vrij dubbelzinnig. Zo noemt hij enerzijds Johannes Paulus II, samen met Tsjechisch president Havel, één van de grote pleitbezorgers van het vrije geweten (p.110), daarin gevolgd door Benedictus XVI. Anderzijds volgt hij de kerkleiders niet in hun standpunten over homoseksualiteit (pp.147-149). Zo’n een grote verdedigers van het vrije geweten zijn ze nu ook weer niet. Diezelfde dubbelzinnigheid is er ook ten aanzien van de islam, door Herben als incompatibel gezien met de huidige westerse samenleving maar in essentie een religie van grote cultuur en verdraagzaamheid (moslims zoals Atatürk en koning Hoessein waren immers ook vrijmetselaars). Herben bekritiseert, maar geeft geen alternatieven. Ook over zijn prestaties als fractieleider van de LPF komen we niet veel te weten, behalve dan dat hij een door hem ingediende motie in april 2002 in de Tweede Kamer kon laten goedkeuren waarin het wetgevend orgaan de aanslagen van Madrid ten strengste veroordeeld (p.128). Maar ja, wie zou daar nu tegen zijn geweest? Voor de rest is alles wat op politiek vlak in de wereld is misgelopen voor een groot gedeelte op het conto van linkse rakkers te schrijven. Ronald Reagan had dus volgens Herben gelijk dat alles wat links wat tot het Rijk van het Kwade behoorde (voetnoot p.123).
De auteur heeft ook een aantal starre en oppervlakkige beelden over vrijmetselarij. De Orde als uitvinder van de democratie bijvoorbeeld. De 18e-eeuwse broeders zouden in de Verenigde Staten en Frankrijk aan de basis liggen van de democratische staatsinstellingen. Dit is een simplificering van de historische werkelijkheid. Bovendien was de vrijmetselarij een zeer elitair gegeven, en die elite ambieerde de wereldlijke macht. Een andere kwakkel is de oprichting van de Verenigde Naties, zogezegd voortgekomen uit het maçonniek denkpatroon van Roosevelt en Churchill tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Heeft dit boek mij dus iets nieuws geleerd over vrijmetselarij of hoe iemand dit persoonlijk kan beleven? Niet echt. Heeft dit iets bijgebracht over de politicus Herben? Ja: dat dit gaat om iemand zonder echt politiek programma en zich constant verschuilt achter de ideeën van Fortuyn, waarvan ik mij afvraag wie nog precies weet wat die oorspronkelijk waren. 


HERBEN (Mat). Vrij denken in politiek, religie en vrijmetselarij. Den Haag, Synthese / Fama, 2005, 176 p.

vrijdag 6 juli 2007

Recensie Vrijmetselarij (Erdtsieck)

Terwijl de Vlaamse boekenmarkt grotendeels beperkt blijft tot de vijf volumes van Van Brabant, zijn er Nederland verschillende titels beschikbaar die de lezer een inleiding tot filosofie en geschiedenis van de vrijmetselarij kunnen bezorgen. Ik heb mij onlangs eens goed laten gaan en heb in een Nederlandse online boekhandel een behoorlijke bestelling geplaatst. Met veel genoegen ben ik mijn nieuwe aanwinsten nu aan het doornemen. Eén van die boekjes is dat van G. Erdtsieck, met de kortdadige titel Vrijmetselarij. Het verscheen vorig jaar in de Serie Wegwijs van de Kampense uitgeverij Kok. De reeks heeft de bedoeling korte, maar degelijke introducties tot wereldgodsdiensten en (Nederlandse) religieuze en wijsgerige stromingen aan te bieden. Dat daar ook new age en wicca tussen zit moeten we er maar bijnemen. 
Ik ben in elk geval erg gecharmeerd van Erdtsiecks boekje. Het geeft zeer helder de belangrijkste kenmerken van het genootschap weer en baseert zich op de gekende werken uit de literatuur en is vooral schatplichtig aanVrijmetselarij in de Lage Landen van Ton Van de Sande. Ook pater Dierickx' De grote onbekende wordt regelmatig aangehaald, waarbij de auteur echter voorbij gaat aan de gedateerdheid van dit werk. Dierickx schreef het boek in de onmiddellijke nasleep van Vaticanum II, in de ijdele hoop dat de verzoening tussen Katholieke Kerk en vrijmetselarij nabij was. Dat was vóór kardinaal Ratzinger deze veronderstelling de kop indrukte. 
De klemtoon ligt wel op Nederland, wat linken naar België zeker niet uitsluit. Dit veroorzaakt wel een aantal onvolledigheden (bv. p.31: de auteur zegt dat de oprichting van GOB in 1833 de definitieve breuk met de Nederlandse vrijmetselarij is, zonder het toch wel belangrijk detail van het Gentse en orangistische Le Septentrion te vermelden) en historische uitschuivers (p.25: het Congres van Wenen van 1813 maakt van de Verenigde Nederlanden een koninkrijk; het Congres is pas in 1814, waarna Willem soeverein vorst wordt; koning wordt hij pas bij wijze van statement als Napoleon richting Waterloo oprukt.)
Het is aangenaam dat de auteur citaten en getuigenissen van broeders aanhaalt, en daarbij hun volle naam en werkplaats vernoemt. Zoiets zou in een Belgische publicatie ondenkbaar zijn. 




ERDTSIECK (G.). Vrijmetselarij. Kampen, Uitgeverij Kok, 2006, 112 p. + ill., €13,50.

donderdag 14 juni 2007

ICHF 2007 (5)

Vijfde en laatste bericht over de International Conference on the History of Freemasonry. Een zeer vol programma (met vooraf aangekondigde verontschuldigingen kwamen we nog aan 73 sprekers), verdeeld over 24 sessies, 5 plenary lectures en drie dagen. Je moet dus keuzes maken. Laten we eens zien wat mij allemaal is bijgebleven. 
Vrijdag 25 mei: het congres opent met de Nederlander Jan Snoeck, professor in Heidelberg, over de stand van het wetenschappelijk onderzoek naar vrijmetselarij. Hij vermeldde de grote namen, maar fixeerde zich vooral op de angelsaksische wereld. Het was soms tenenkrullend dat de Franse inbreng, met uitzondering van Chevallier, niet werd vernoemd. Ook Bartier, die vanuit de ULB al vanaf de jaren '60 vrijmetselarij als historicus bekeek, bleef buiten beschouwing. De meningen over de kwaliteit van deze voordracht waren dan ook verdeeld. Nadien heb ik de voormiddagsessie overgeslagen. Ik heb een stadswandelingetje gemaakt, wat mij de gelegenheid bood betere foto's te nemen dan de dag voordien. In de namiddag sloot ik mij aan bij sessie 6: American contacts en connections. Eerste spreker Raymond C. Vaughan over de Morgan-affaire. Verhaal simpel samengevat: Morgan verdwijnt in de jaren 1820 en vrijmetselaars worden ervan beschuldigd er voor iets tussen te zitten. Veel nieuwe info was hier niet uit te halen. Nadien had ik een gesprekje met de spreker, waaruit duidelijk bleek dat hij als amateur-historicus (!) nauwelijks op de hoogte was van de Amerikaanse Antimasonic Party, die in de nasleep van de Morgan-affaire ontstond. Na Vaughan volgde Pierre Besses over Albert Pike en symbolisme. Ook hier maar weinig nieuws onder de zon. De discussie ging achteraf over het al dan niet betrokken zijn van Pike bij de Klu-Klux-Klan. Pff... De derde spreker over Mexicaanse vrijmetselarij had zijn kat gestuurd. Meer tijd voor een nodige kop koffie dus. De anderen in een andere zaal hadden ook niet veel geluk: een lezing over een bezoek van Desaguliers van 1 dag (!) aan Edinburgh was een klucht omdat het enkel vertelde wat Desaguliers die dag uitspookte: waar hij zijn sigaren haalde, of hij een soevenirtje kocht en dergelijke. Gelukkig leverde sessie 8 (Freemasonry and fraternalism) de nodige kwaliteit waar we op zoek naar waren. Het waren vooral sprekers Bob James en Dan Weinbren die daarvoor instonden. De eerste bouwde vanuit een historiografisch oogpunt verder op Snoeck, maar dan veel geconcentreerder en stelde ook concrete vragen zoals: als het verhaal van de overgang van operatieve naar speculatieve vrijmetselarij niet helemaal waterdicht is, waar sta je dan als historicus? De tweede belichtte twee Engelse werkplaatsen die uit broeders met zeer verschillende achtergronden waren samengesteld en wat voor gevolgen dit had voor wat hij de "fictieve broederschap" noemde. Derde en laatste spreker in de sessie was van een ander kaliber. De Braziliaan William Carvalho zorgde voor het komisch hoogtepunt van het congres. Hij behandelde de handelingen van de vrijmetselarij in de totstandkoming van de republiek op een zeer ernstige wijze, wat enigszins verstoord werd door zijn grappig accent, zijn sprekende gelijkenis met Omar Shariff en zijn boude uitspraken zoals "They were all hanged, except this one: he was shot to death". Wel interessant om iets over Braziliaanse maçonnerie te weten te komen, waar ik nauwelijks van op de hoogte ben. De dag werd besloten door Margareth Jacob. 
Zaterdag 26 mei: Derde plenary lecture met Ferrer Benimeli. Dan sessie 10: Freemasonry in the early 18th century. Malcolm Davis behandelde een maçonniek geïnspireerde opera, een toneelstuk en een cantate. Zeer interessante cases, waarvan de partituren spijtig genoeg volledig gereconstrueerd moeten worden. Roger Dachez zou volgen, ware hij niet afwezig. Dan maar over naar de jonge Hongaar Róbert Péter, die de 18e-eeuwse Engelse loges vergeleek met religie. Er waren op het eerste zicht zoveel parallellen, dat er moeilijk een onderscheid kon worden gemaakt. Enige diepgaande analyse echter maakte duidelijk dat dit vergelijk in feite niet kon opgaan. Vóór de lunch nog de vierde plenary lecture door David Stevenson. Een zeer goed spreker met een mooi timbre. Hij vertrok van de vaststelling dat de Schotse vrijmetselarij in rechte lijn afstamt van de oude steenbewerkers, en dat er meerdere maçonnieke invloeden zijn op te merken in de totstandkoming van de eerste vakbonden. Sessie 14 (freemasonry and secularism) werd door Rik Röttger geopend over Belgische vrijmetselaars, liberalen en antikatholieken en hun handelen in die trend. Het was jammer dat mijn eigen voordracht daar niet op kon aansluiten: ik verkondigde immers de katholieke kant van het verhaal. Pierre Mollier, bibliothecaris van het GODF, behandelde de correspondentie tussen de Schotse Grootloge en het GODF ten tijde van de schrapping van de Opperbouwmeester door deze Franse obediëntie. Mollier kan als spreker zijn publiek echt boeien; dit is iets wat niet van alle sprekers op dit congres kon worden gezegd. In feite waren er maar weinig overeenkomsten tussen het thema van de eerste en de tweede spreker in deze sessie. Ik heb zo mijn bedenkingen over de samenstelling van al die sessies: de titel is vaak niet de juiste vlag die alle ladingen moet dekken. Dat in extremis nog Allison Ramsay over vrijmetselarij in Barbados werd toegevoegd vind ik maar bedenkelijk. Het was een lezing van enig niveau, maar wat deed die daar? De daaropvolgende sessie heb ik gelaten voor wat ze was: ik moest mijn eigen voordracht nog voorbereiden. 
Zondag 27 mei: terwijl de eerste twee dagen nog nette pakken en hier en daar een kilt de maatstaf waren gaf de zondagvoormiddag een meer ontspannen indruk. De rek was er bij het 200-koppig publiek uit aan het geraken. Was deze laatste dag nog de moeite? Ja en nee. Sessie 20, Death and the mason, had bij mij hoge verwachtingen opgeworpen. Dit was echter het dieptepunt van het congres. De inhoud van de eerste spreker, Marie Mulvey-Roberts, ben ik zelfs volledig vergeten; Ian Robertson had het meer over de occulte symbolen in de Rosslyn Chapel (mijn kortstondige intenties om de nabijgelegen kapel eens met een bezoekje te verblijden werden hierdoor meteen de grond ingeboord); en Ronnie Scott, gedoctoreerd over de maçonnieke invloeden in het kerkhof van Glasgow, bakte er helemaal niets van. Volgens hem was zowat alles aan dit kerkhof maçonniek. Het grondplan leek wel heel erg veel op een Amerikaans logetapijt (!) en behoorlijk wat grafmonumenten hadden, zij het wel verhuld, maçonnieke symbolen. Wat een onzin! Voor de rest van de dag zagen we, met een beetje goede wil, overal maçonnieke symbolen in het straatbeeld. Drie bollen op een verkeerslicht? Daar heb je het al! Een eigenaardige kroonluchter in het museum? Voilà! Edinburgh gebouwd tussen heuvel? Kan het nog duidelijker! Mijn conclusie van deze sessie: zever in pakskens. Nadien was het wel de beurt aan mijzelf. Floor Meyer mocht mij vooraf gaan over de Amsterdamse pers. Door mijn zenuwen heb ik er nauwelijks iets van opgevangen. Ik heb haar paper op computer staan, zo kan ik hem nog rustig nalezen. Dat Andrew Prescott bij mijn aankondiging bijna van het podium donderde (hij vertelde tegen Floor de intussen legendarische woorden: "that was quite embarrassing") deed mij enige dingen toch wel relativeren. Ikzelf was vrij tevreden van mijn lecture. Het congres werd afgesloten door de vijfde plenary met James Stevens Curl over maçonnieke tuinen en bouwstijlen. Veel info over tuinen en bouwstijlen, minder over de maçonnerie erin. 
Na afloop was de organisatie bijzonder tevreden, in die mate dat er meteen werd opgeroepen om in 2009 een tweede congres in Edinburgh te houden. Maar dat konden we al in onze brochures lezen. Wel werd er meteen een tussentijdse bijeenkomst, volgend jaar, in Sheffield aangekondigd. Nu hebben we daar toch wel onze twijfels over. Als dat weer zo een congres is zonder afgebakend thema, met ernstige kwaliteitsverschillen tussen zowel de sprekers als de voordrachten, pas ik daar wel voor. Gezien de aard van de voordrachten zou het perfect mogelijk geweest zijn de grootst mogelijke onzin te verkondigen zonder dat iemand het zou door hebben. En sommigen hebben dat effectief gedaan. 
Volgens de laatste berichten willen ze de teksten van dit congres zeker publiceren. Maar hoe? Het zou wel een zeer dik boek worden. En ik vraag me af of het wel een goed idee is om die verschillende niveau's in één document samen te brengen. 
Eindconclusies: een interessant en leerrijk congres, dat wel. Maar ik hoop dat het organiserend comité een ernstige evaluatie kan houden.

woensdag 6 juni 2007

ICHF 2007 (4)

Geen congres, symposium of workshop over vrijmetselarij kan voorbij gaan zonder de aanwezigheid van de Spaanse professor José Antonio Ferrer Benimeli. De minzame jezuïet is verbonden aan de Universidad de Zaragoza en voorzitter van het Centro de Estudios Históricos de la Masonería Española. Ferrer Benimeli is zonder twijfel een monument in de maçonologie, publiceerde enorm veel, waaronder een indrukwekkende bibliografie en het standaardwerk Les archives secrètes du Vatican et de la franc-maçonnerie. Histoire d'une condamnation pontificale. De plenary lecture van zaterdagochtend 26 mei vertrok vanuit dit werk om een overzicht te bieden van de veroordelingen van de Katholieke Kerk ten overstaan van de vrijmetselarij, en kreeg als titel The relationship of Freemasonry and the Catholic Church from the 18th century to our times. 
Veel nieuws vertelde Ferrer Benimeli niet (althans, mij toch niet), maar het was wel aangenaam om een algemeen overzicht van pauselijke banvloeken van de 18e eeuw tot vandaag te horen. Ferrer Benimeli gaf zijn lecture in het Frans (met een zwaar Spaans accent), wat ook wel eens een aangename afwisseling was tussen al dat Engels, simultaan vertaald door de charmante Sylvia die, naast hem staande, om de paragraaf het publiek een samenvatting voorbracht.
De eerste pauselijke veroordeling was de bul In Eminenti van Clemens XII uit 1738. Op dat ogenblik begonnen er overal op het vasteland loges te ontstaan, naar het voorbeeld van de Londense werkplaatsen, die in 1717 waren samengekomen. De paus veroordeelde de vrijmetselaars omwille van hun vergaderingen waarbij zowel protestanten als katholieken aanwezig waren, dat ze daardoor vatbaar waren voor "afwijkende" meningen, en "om redenen alleen voor de paus bekend". Benedictus XIV herhaalde deze veroordelingen in Providas in 1751. Echt gefundeerd waren deze teksten niet. In de loop van de 19e eeuw veranderde dit. Vooral de grote pausen Pius IX en Leo XIII publiceerden honderden teksten waarin er, in meer of mindere mate, naar de vrijmetselarij werd verweten. Pius IX noemde de maçonnerie "de Synagoge van Satan", terwijl Leo XIII in zijn legendarische encycliek Humanum genus uit 1884 de "maçonnieke sekte" naturalisme verweet. Met andere woorden: de vrijmetselarij baseerde zich met haar ideologie op de natuur, in tegenstelling tot het bovennatuurlijke (te weten God), en was dus vanzelfsprekend slecht. Ferrer Benimeli wees erop dat de beide pausen vooral vanuit de politieke context van die periode handelden. Italië was politiek eengemaakt ten koste van de Kerkelijke Staat, de paus noemde zichzelf "de gevangene van het Vaticaan", en de Italiaanse bewindvoerders hadden nauwe banden met de vrijmetselarij en maakten het de pontifex niet makkelijk.
In 1913 werd de veroordeling van de vrijmetselarij verder geofficialiseerd door verwijzingen ernaar op te nemen in de Codex, zeg maar het wetboek van de Katholieke Kerk. Maar in de periode van Vaticanum II versoepelde de houding van de Kerk. Leden van de hoge clerus toonden openlijk begrip voor de maçonnieke principes, en een aanpassing van de tekst drong zich op. De Codex werd begin jaren 1980 aangepast. De meerderheid van de commissie van bisschoppen was het erover eens de expliciete verwijzing naar de vrijmetselarij te laten vallen. In canon 1374 lezen we immers dat alleen diegenen, die toetreden tot een genootschap met de duidelijke bedoeling tegen de kerkelijke structuren samen te zweren, zal worden gestraft.
Een aantal hooggeplaatsten verzetten zich echter, waaronder het hoofd van de Congregatie voor Geloofsleer kardinaal Ratzinger. Vlak vóór de aangepaste Codex werd gepubliceerd vaardigde Ratzinger een verklaring uit, waarin hij op 24 november 1983 stelde dat vrijmetselarij en geloof onverenigbaar zijn en dat een vrijmetselaar zich in staat van zware zonde bevindt. Om nog meer zout op de wonde te strooien verscheen er in 1985 een artikel in L'Osservatore Romano waarin deze verklaring werd herhaald, en waarbij er ondermeer werd geargumenteerd op basis van de teksten van Leo XIII. Ferrer Benimeli merkte terecht op dat de opstellers volledig aan het historisch en politiek kader voorbij gingen waarin Leo XIII leefde. Hiermee toonde de Congregatie voor Geloofsleer aan dat ze zich even onverbiddelijk ten aanzien van de maçonnerie opstelde, zonder de veranderde realiteit voor ogen te willen zien.

Het artikel uit L'Osservatore Romano kan hier worden nagelezen.
Canon 1374 uit het Kerkelijk Wetboek van 1983 staat hier.