Alles over vrijmetselarij en genootschappen: geschiedenis, reviews, weblinks.

dinsdag 29 september 2009

Brand in de rue Cadet


Een brand veroorzaakte vorige week aanzienlijke schade aan de Arthur Groussier-tempel van het Grootoosten van Frankrijk, rue Cadet in Parijs. Ondergetekende was enkele maanden geleden nog in deze ruimte aanwezig voor de jaarlijkse studiedag van Cécile Revauger en Charles Porset (zie mijn post van 20 maart). Volgens conservator Pierre Mollier kon de schade nog relatief beperkt blijven maar de foto's, gepubliceerd op hiram.be, geven toch wel een andere indruk. Het plafond en het dak zijn zwaar getroffen, alsook de toegangsdeur en inkomhal waar het portret van de Algerijnse vrijheidsstrijder en vrijmetselaar Abd El Kader volledig verwoest zijn. 
(foto's zijn niet mijn eigendom maar werden overgenomen van hiram.be en waren eerder al op freemasonsfordummies.blogspot.com te zien)

maandag 21 september 2009

Stockholm (2)





Stockholm is de thuisstad van de Zweedse Orde van Vrijmetselaren. Ze vormt een beetje een uitzondering in de reguliere vrijmetselarij omdat zij een eigen, specifieke ritus volgt: de Zweedse Ritus. Op het eerste zicht zijn passers en winkelhaken veel minder (opvallend) aanwezig; zo wappert er op het gebouw van de Zweedse Orde het rode kruis dat haar logo is.




Enkele straten verder is ook vrij duidelijk het gebouw van de Odd Fellows in het straatbeeld aanwezig: dit genootschap doet aan vrijmetselarij denken maar is het zeker niet. 



zaterdag 19 september 2009

Stockholm (1)

Momenteel werkt ondergetekende aan een onderzoeksproject met als doel het politiek en juridisch discours ten aanzien van kloosters en religieuze instituten in 19e-eeuws België te analyseren. Vertrekkend vanuit een bijbelse opdracht waren kloosterorden betrokken in het organiseren van liefdadigheidsinstellingen, opvangtehuizen, scholen en diens meer. In een tijd dat OCMW’s nog niet bestonden was dit wel te begrijpen. De liberale staat echter volgde deze katholieke redenering niet helemaal. De staat diende immers te zorgen voor al haar burgers, ook de behoeftigen. Met dat doel voor ogen werden er burgerlijke godshuizen en zogeheten “burelen van weldadigheid” opgericht die eigenlijk dezelfde opdracht hadden als de caritaswerking van de kloosters, maar dan vanuit een seculiere en geöfficialiseerde basis. Eigenlijk vanaf de Belgische onafhankelijkheid in 1830 kwam de caritas ter discussie te staan: wie had echter het recht om deze, gefinancieerd door schenkingen en erfenissen, te organiseren? De overheid (zijnde de liberale staat) of de privé-sector (zijnde de Kerk)? Horen, in het verlengde hiervan, kloosters en religieuze instituten thuis in de liberale staat of niet? Moeten er politieke en juridische constructies worden uitgebouwd om kloosterorden, die geen feitelijk juridisch statuut hebben, desnoods te dwingen om zich bij de beginselen van de liberale staat aan te sluiten? Dit laatste gebeurde bijvoorbeeld in Frankrijk in 1901 met de Loi des Associations. Of, nog anders gezegd, maken kloosterorden, omwille van hun zelfopgenomen caritatieve opdracht, deel uit van het middenveld?
Op zoek naar inspiratie is ondergetekende terecht gekomen op een internationale conferentie die de afgelopen twee dagen in Stockholm werd georganiseerd door de Ersta Sköndal Högskola. Dit ‘university college’, ondergebracht in een historisch gebouw dat oorspronkelijk fungeerde als zeevaartschool en een prachtig zicht biedt op de baai van Stockholm, biedt onder andere opleidingen aan in sociaal werk, zorg, en theologie. Er is aan de ESH ook een documentatiecentrum (CivLib) rond ‘civil society’ gevestigd. Wat wordt onder ‘civil society’of het ‘maatschappelijk middenveld’ begrepen? Volgens CivLib verwijst civil society “to the rich diversity of associations, non-profit organizations, faith-based communities, and other such phenomena, which neither constitute a part of the market nor of the public sector. These activities have a plethora of purposes ranging from political lobbying and social welfare to non-profit economic activity.”
De bedoeling van deze conferentie – “The social dimension of religion in civil society. A comparative European perspective” – was om een aantal recente onderzoeksresultaten over de relatie tussen religie en civil society samen te brengen. Het resultaat was een zeer interdisciplinaire bijeenkomst, voor een groot deel bepaald door sociologen, maar even zeer door politicologie, theologie en geschiedenis. Negen plenary speakers en ruim 27 papers, ondergebracht in 14 sessies, waarvan er 7 parallel verliepen, kwamen tussen de late namiddag van donderdag 17 september tot zaterdagmiddag aan bod. Met het publiek inbegrepen telde de conferentie ongeveer 50-60 personen, afkomstig uit 17 verschillende landen. De organisatie lag in handen van de ESH, in samenwerking met The Netherlands Institute for Social Research, en onder meer gesubsideerd door de Zweedse Rijksbank en de Kerk van Zweden. Voor een historicus die eigenlijk gespecialiseerd is in de geschiedenis van vrijmetselarij was het bijzonder verrijkend om met andere disciplines op zo een intense manier in contact te komen en jezelf met Habermas, Durckheim en de Tocqueville om de oren te laten slaan.
De openingslezing op donderdag werd gegeven door professor sociologie José Casanova, verbonden aan Georgetown University, Washington DC. Casanova werd door de organisatoren in een spreekwoordelijke wolk van wierrook de conferentieruimte binnengehaald, en ook wel terecht: de man heeft baanbrekend werk verricht op het vlak van de sociologie van religie; kijk maar eens naar zijn instant klassieker Public religions in the modern world. Casanova zou ook het hele congres grotendeels domineren door zijn interpellaties en de connecties die meerdere sprekers in hun eigen voordrachten naar zijn publicaties gaven. Casanova’s plenary lecture was getiteld The social dimension of religion in civil society en aansluitend becommentarieerd door Noors-Amerikaans professor Inger Furseth. Hoewel: ‘commentaar’, laat staan ‘kritiek’ was niet echt aan de orde (wierrook, weet je wel...). De spreker vertrok van de algemeen aangenomen veronderstelling dat vandaag religie terug was gekeerd naar de Westeuropese samenlevingen en dat zelfs hardliners zoals Jürgen Habermas en de Franse laïcité concessies wille maken. Maar religie is feitelijk nooit weg geweest. In tegenstelling tot enkele decennia geleden heeft nu ook de Katholieke Kerk zich in dit domein bij de democratie aangesloten. De Kerk zelf maakt echter geen deel uit van civil society, en kan er slechts toe behoren indien zij haar autocratische opstelling opgeeft en het principe van vrijheid van religie erkent. Zoals Max Weber aanhaalde claimt de Kerk als instituut steeds haar monopolie op het territorium van de natie als op de samenleving. Desalniettemin kunnen veel actoren binnen civil society als katholiek worden gelabeld, hoewel daar geen politieke consequenties aan verbonden zijn: in geen enkel Europees land regeert er vandaag een ‘echte’ katholieke partij in haar traditionele betekenis. De reden hiervoor ligt in de secularisatie, wat de facto een deconfessionalisatie van staat, natie en samenleving inhoudt. Haar meest radicale uiting vond plaats in Frankrijk, waar de tandem republiek/lekenstaat radicaal tegenover monarchie/katholicisme kwam te staan. De Loi des Associations en de Loi de Séparation (1905) onderstreepten dit radicalisme. In niet-katholieke landen leek soms het tegenovergestelde plaats te grijpen. Een goed voorbeeld hiervan is Denemarken, samen met Zweden één van de meest seculiere naties waar de bevolking geen affiliatie met religie heeft maar waarbij, paradoxaal genoeg, slechts 2% niet lutheraan is. Daarnaast bestaan er ‘gemengde situaties’ in Nederland en Duitsland. In tegenstelling tot de Europese landen hadden de Verenigde Staten nooit een staatskerk of staatsgodsdienst. Bijgevolg kon hier ook geen deconfessionalisering gebeuren en kon de Kerk ook niet van de Staat worden gescheiden omdat ze ook nooit verbonden waren. De Staat heeft bovendien niet het recht om aan haar burgers hun religieuze identiteit te vragen. Toen de Fransman Alexis de Tocqueville meer dan anderhalve eeuw geleden de Verenigde Staten bezocht viel het hem op dat, in tegenstelling tot wat in zijn eigen land gebeurde, vrijheid en religie aan hetzelfde zeil trokken. Geen enkele religieuze groep, kerk of sekte in de Verenigde Staten leek tegen republikanisme of de vrijheidsgedachte gekant te zijn. Hoe dan ook, zowel vanuit een Europees als Amerikaans perspectief kan religie, en de sociale rol die het speelt, niet enkel tot pastorale activiteiten worden herleid. Religie geeft aanleiding tot verenigingsleven en sociaal handelen, maar is op de eerste plaats een individueel gegeven. Meer nog: religie is meer dan enkel maar geloven. Het is een vehikel om een eigen nationale identiteit te verkrijgen: inwijkelingen zullen aldus een groter religieus besef ervaren dan in hun huisland. Zo wordt ook de idee van een Amerikaanse staatsreligie verworpen, niet uit seculier oogpunt, maar precies vanuit de vrijheidsgedachte. Aan de andere kant is het in de Verenigde Staten mogelijk dat een niet-blanke president wordt, maar zou het ondenkbaar zijn dat een atheïst ooit in het Witte Huis geraakt.

dinsdag 15 september 2009

The Lost Symbol in de winkel

Uit De Standaard van vandaag:

Volgspot op de vrijmetselarij

  • dinsdag 15 september 2009

Van onze redacteur

De grootste uitdaging voor Dan Brown is bewijzen dat hij beter is dan het legertje copycats dat, in het spoor van De Da Vinci Code, getracht heeft om zijn optelsom van thrillertechnieken, obscure religieuze theorie en razendsnelle vertelstijl te imiteren.

Makkelijk wordt dat niet. Brown heeft zes jaar de tijd genomen om Lost Symbol te schrijven. Natuurlijk behoudt hij zijn succesformule, en het valt te hopen dat hij het historische kader accurater onderbouwd heeft. De grootste kritiek die hij immers kreeg, was dat zijn vorige roman historisch flauw, lui en slordig was.

De New York Times lichtte gisteren, één dag voor het mocht, alvast een aantal tipjes van de sluier op. Wat de succesroman The Da Vinci Code deed voor Parijs en Rome, en voor de Bijbel, zalLost Symbol doen voor Washington en voor de thematiek van de vrijmetselarij. En zoals het Louvre in Dan Browns bestseller een spannende plaats des misdaads werd, speelt nu het Capitool die rol.

Zoals al bekend was, wil Browns held, de symboollezer Robert Langdon, weer een mysterie ontrafelen. Tegenover hem staat de duistere Mal'akh. Een naam die Googlegewijs meteen verwijst naar de Hebreeuwse bijbel en naar Tolkien. Maar Brown zal zijn freak-van-dienst wel een eigen identiteit gegeven hebben.

Lost Symbol verschijnt in een eerste druk van 5 miljoen exemplaren voor de Amerikaanse markt en 1,5 miljoen voor de andere Engelstalige afzetgebieden. De Nederlandse vertaling ligt op 30 oktober in de winkel, op 500.000 exemplaren. De uitgever, Luitingh-Sijthoff, krijgt pas morgen de tekst voor vertaling: ‘Men wil de tekst geheim houden.'

De romans van Dan Brown worden niet via de klassieke kanalen gemarket, maar meer als popproducten, met voorproefjes op internet, en crossmarketing met Hollywood en de toeristische sector. Winkels organiseren happenings, of openen vroeger. Vandaag kon u in Brussel al om 8 uur bij Sterling Books koffie en croissants snoepen bij uw boek. Het boek kost zo'n 20 euro.

In Engeland gaat het harder. Sinds de vaste boekenprijs daar losgelaten is, hebben supermarkten het voor het zeggen met bodemprijzen waarmee ze vooral marktaandeel willen scoren. Boekenwinkels kunnen nauwelijks winst halen uit de nieuwe bestseller, en soms is het zelfs goedkoper voor hen om een voorraad in te slaan bij de supermarkt dan bij de verdeler. Kortom, in Engeland verdient enkel Dan Brown aan zijn boeken.

Zal de auteur opnieuw 81 miljoen stuks (1,3 miljoen bij ons) verkopen? Een nieuwe film zal de verkoop wel vaart geven, maar een betere indicatie is het merkwaardige feit dat Lost Symbol al bijna 150 dagen aan de top van de Amazon-boekenlijst staat. Enkel door de voorverkoop. Daar blijft hij vast wel een tijdje hangen.

‘Lost Symbol' is vanaf vandaag

te koop (Engelse versie)

Vrijdag leest u een recensie in

de Standaard der Letteren

Peter Vantyghem

maandag 6 juli 2009

commercials

De Nederlandse vrijmetselarij is veel opener dan haar Belgische evenknie. De redenen hiervoor zijn divers: anders dan in eigen land hangt er boven de Moerdijk niet zo een (vaak zelfgecultiveerde) sfeer van mysterie rond het genootschap en ontbreekt het eerder argwanend beeld dat hier in de publieke opinie hier nogal eens leeft. Enkele weken geleden heeft de Nederlandse Grootloge der Gemengde Vrijmetselarij (NGGV), met zes werkplaatsen een eerder bescheiden maçonnieke Grootmacht, een promotiefilmpje voor de A.L. Pentagram op YouTube gepost. Op haar eigen site komt het niet voor, en ik heb deze tip van www.hiram.be overgenomen. Wat er wel op het vrij degelijke www.nggv.nl te lezen valt is een hele uitleg over tempeliers en andere pseudo-historisch verhaaltjes, overgenomen uit The Temple and the Lodge van Leigh, Baigent en Lincoln - wat voor mij weer eens een illustratie is dat veel vrijmetselaars totaal in het ongewisse zijn wat hun eigen geschiedenis betreft. Maar dit geheel terzijde. Nu ja, een echt 'filmpje' staat er niet op YouTube, maar eerder een collage op muziek van beelden van passers en winkelhaken en tekst. In elk geval zou dit soort publiciteit in België zelden of nooit voorkomen. Hoewel: de Vilvoordse werkplaats Dionysos (Lithos) verspreidt haar folders via het voor iedereen toegankelijke vrijzinning ontmoetingscentrum.
Anderzijds zal het in de Lage Landen (hopelijk) nooit zo ver komen als aan de overzijde van de Atlantische Oceaan, waar loges niet bedeesd zijn om heuse reclamecampagnes te voeren. Gezien de lamentabele toestand van hun ledenbestanden is dit misschien zelfs begrijpbaar. In ieder geval: "Is there greatness in you?... Ask!"


maandag 15 juni 2009

ICHF 2009

Tijdens het laatste weekend van mei scheen de zon boven Edinburgh bijzonder hevig en warm; genoeg aanleiding voor de locals om alle vestimentaire regels van goed fatsoen overboord te smijten.  Trinny en Susannah zouden overuren moeten maken om de hoeveelheden foute kleurencombinaties, slechtzinnende shorts met daaronder sokken in sandalen en vormeloze en veel te kleine soutiens uit het straatbeeld te bannen. Gelukkig werd ik daar niet al te veel mee geconfronteerd aangezien ik, afgeschermd van deze bedenkelijke profane wereld, drie dagen lang vanaf 9 uur de papers van de International Conference on the History of Freemasonry bijwoonde.

De tweede editie van deze ICHF was met een tachtigtal papers opnieuw een gevulde boterham. Net als twee jaar geleden stelde de Grandlodge of Scotland haar lokalen aan George Street in Edinburgh ter beschikking voor deze hoogdagen van het wetenschappelijk onderzoek naar vrijmetselarij. En de klemtoon lag tussen 29 en 31 mei zeker op dat wetenschappelijke luik, meer dan in 2007. Ik herinner mij nog de hobby-maçonnologen die er een onloshangend en persoonlijk verhaal kwamen vertellen over zaken die allang waren geweten. Hoogtepunt toen (en dit is cynisch te interpreteren) was de paper waarin het kerkhof van Glasgow als één grote maçonnieke footprint werd beschouwd. Maar goed, dit keer was de selectie van de proposals strenger – of moet ik zeggen: dit keer was er een selectie. Naar verluid werden papers waarin de missing links tussen vrijmetselarij en de oude beschavingen op Sirius werden gelegd niet aanvaard. Het gevolg was een kwalitatief hoogstaande driedaagse, met hier en daar een aantal uitschieters. Mindere momenten waren echter niet uit te sluiten. Voor de rest was er niet zoveel verschil met twee jaar geleden: er was ’s ochtends voor aanvang nog steeds geen koffie of thee te bespeuren; de enigszins aftandse toiletten – hoewel in aanwezigheid van royal Doulton-urinoirs – deden ook weer mee;  en de gedenkpenning en het certificaat van aanwezigheid werden opnieuw uitgereikt aan toeschouwers en sprekers, hoewel deze laatsten het niet moesten doen met het heupflesje als bedankje voor de paper (mijn ding ligt hier nog ergens in een schuif: hoog tijd om het op ebay te zetten). De nep-lederen conferentietas werd vervangen door een katoenen exemplaar (handwas) hoewel het inschrijvingsgeld met 250 pond – ook voor de sprekers – aan de hoge kant bleef. En ja, ook het obligate galadiner op zaterdagavond stond opnieuw op het programma: ik besteed wel een andere post om dit evenement in detail weer te geven.
Door het inroepen van de Grandlodge als locatie voor een wetenschappelijke conferentie loop je als organisatie (in casu: University of Sheffield) wel het risico de objectiviteit in het gedrang te brengen: je houdt een academisch congres over het catholicisme immers ook niet in een kerk. Bijgevolg kunnen de ‘maçonnologen’ niet helemaal de toegang worden ontzegd. Hoewel: het viel mij op dat het aantal hobby-isten in het publiek dit keer erg meeviel. Geen Jessica Harland-Jacobs, Jan Snoeck,  James Stevens Curl, Margareth Jacobs of Antonio Ferrer-Benimeli dit keer, wel opnieuw Andrew Prescott, Malcolm Davies, Róbert Péter en John Acaster – hoewel niet altijd als sprekers – en Andreas Önnerfors als directeur van de Centre for Research into Freemasonry and Fraternalism van Sheffield als centraal figuur.  Desondanks waren er toch een aantal schoonheidsfoutjes in de organisatie te bespeuren; een last minute herschikking van het programma had tot gevolg dat sommige sprekers niet opdaagden op het moment dat ze werden verwacht en bepaalde sessies bleken plots dubbel geboekt op het vlak van voorzitter. Het was mij ook niet duidelijk wie nu precies de eindverantwoordelijkheid voor praktische organisatie en inhoud droeg.
Ik heb toch wel naar dit evenement uitgekeken: door het brengen van een paper (“The conspiracy of Freemasons, Jews and Communists”) de presentatie van mijn eigen onderzoek, het voorzitten van een sessie (over Afro-Amerikaanse vrijmetselarij), het opstellen van een ‘poster’ met een schematische weergave van het doctoraat was er toch wel wat voorbereidingswerk nodig. Dat verklaart waarschijnlijk het feit dat ik, enkele nachten voordien, van Cécile Révauger en haar Dictionnaire over 18e-eeuwse vrijmetselarij heb gedroomd – en badend in het angstzweet ben wakker geworden.
Het was bijzonder aangenaam een aantal oude bekenden tegen te komen: Chris Hodapp, auteur van Freemasons for Dummies liep voor de gelegenheid met een vrij opvallende das rond waarop een cover-collage van vertalingen van dit boek was weergegeven – leuk om jezelf daarin terug te vinden;  Jim Daniel als ceremoniemeester van dienst herhaalde dezelfde grapjes als tijdens de vorige editie en Matthew Scanlan, Harriet Sandvall, Natalie Bayer, Robert Collis en Diane Clements had ik al eerder in gelijkaardige geleerde contreien ontmoet. De tweede editie van de ICHF had Robert Burns, vrijmetselaar en Schotlands nationale bard, tot centraal thema genoemen. We werden bijgevolg regelmatig met de man in kwestie – of zijn schootsvel – om de oren geslagen. Effectief: de conferentie werd onder doedelzakgeblaas geopend met de onthulling van ’s mans schootsvel. Of beter gezegd: wat ervan overbleef. De earl of Elgin, beschermheer van de conferentie, werd bij gelegenheid opgetrommeld om een huldewoord te brengen. De man met de gezegende leeftijd zou trouwens in de loop van het weekend nog een paar keer ten tonele worden gevoerd om een gedichtje of een tekstje voor te brengen.Hulde ook voor Andreas Önnerfors, die namens Sheffield een erkenning van de Reguliere Grootloge van Italië in ontvangst mocht nemen. Het welkomsconcert op donderdagavond sloeg ik over om met de plenary lecture van Pierre-Yves Beaurepaire (Institut Universitaire de France – “Researching Freemasonry in the 21th century: chances and challenges”) om vrijdagochtend meteen het congres aan te vatten. Beaurepaire bracht zijn versie van het niet altijd even volledige verhaal dat Jan Snoeck twee jaar eerder als openingsvoordracht presenteerde. Beaurepaire kon echter niet helemaal de verwachtingen invullen: status quaestionis van de 18e-eeuwse situatie was, vanzelfsprekend, actueel maar voor meer recente onderzoeksperiodes was zijn visie toch niet altijd even up to date. Daarna volgden 3 parallelle sessies, met telkens 2 tot 4 papers. Henrik Bogdan (universiteit van Göteborg) zou aan het einde van de dag een plenary lecture rond “Freemasonry and popular culture” brengen, maar kon niet aanwezig zijn. In extremis werd een aardige dame opgetrommeld die het vrijgekomen uurtje mocht invullen met haar verhaal hoe ze tot  haar biografie van Robert Burns was gekomen. 
En meteen waren we bij het dieptepunt van de conferentie aanbeland. Een chemica die in haar vrijetijd, over een periode van vijftig jaar, een biografie neerpend, zonder enige historische vorming of echte maçonnieke kennis, start al onder een slecht gesternte. De dame zong liedjes van Burns om in de sfeer te geraken, voerde eigenlijk een toneelstukje op waarbij ze passages uit haar eigen leven de revue liet passeren en stelde zich de vraag of de stand van de sterren daadwerkelijk in verband stond met de geboorte van de Schotse bard. Ik heb het antwoord niet afgewacht en ben stilletjes naar buiten geslopen. Op zo een moment zou je haast willen dat je een rookpauze nodig had! In een andere context was deze presentatie zeker best te genieten geweest, maar niet op een academisch congres. Nadien presenteerden de doctorandi nog kort hun eigen onderzoek; dit had wel wat langer mogen en was best niet helemaal aan het einde van een lange dag geplaatst aangezien de interesse van het publiek toch zeker groot was.
Zaterdag 30 mei opende met een schitterende plenary lecture van William D. Moore (University of North Carolina Wilmington) over vrijmetselaars en geiten: ik zal hieraan nog een aparte post besteden. Later op de dag volgde de eigen sessie “Freemasonry imagined: national, international, antinational” waar Jeffrey Tyssens (“Bacillus Gallicus: Nationality and anti-Masonic Discourse in the Early American Republic”), Anaïs Maes (“The birth of the Belgian nation state: Masonic “national” discourses”), Petri Mirala (“Irish Freemasonry: from radicalism to loyalism”) en mijzelf, al zeg ik het zelf, de eer van de eer van de Vrije Universiteit Brussel in het algemeen en van de Interdisciplinaire Onderzoeksgroep Vrijmetselarij in het bijzonder hoog hielden, met felicitaties van Andrew Prescott. Onbegrijpelijk dat onze collega’s van de Université Libre de Bruxelles dit congres oversloegen.Zondag 31 mei kenmerkte zich met enig absenteïsme tijdens de plenary lecture van Valentina Bold (University of Glasgow) over... Robert Burns. Ik moet toegeven dat ik voor de rest alle andere papers over deze man systematisch heb ontweken. Deze voordracht kon mij niet echt boeien; louter literaire thema’s liggen mij niet. Groot was het contrast met de paper van J. Scott Kenny (“Pragmatic constructions of history among Freemasons”), die later op de dag tijdens de laatste sessie werd gegeven. De spreker bracht een fascinerend verhaal over de problematische omgang van vrijmetselaars met hun eigen verleden en verdiende haast om daarmee een plenary lecture te vullen. De conferentie werd nadien afgesloten door Andrew Prescott, Önnerfors’ voorganger in Sheffield, nu verbonden aan de University of Lampeter, die met “Tinsel and glitter and high-sounding titles: thinking about Freemasonry in the age of Robert Burns” een meesterlijke en haast geniale lecture gaf – een waardige afsluiter om over na te denken op de weg naar huis.
Mijzelf

Het schootsvel (rechts) van Robert Burns (links


Over twee jaar zou de ICHF doorgaan in Alexandria, Virginia, niet ver van Washington DC. Ten minste, als de formule zoals ze nu bestaat niet wordt aangepast.
Grand Lodge of Scotland




woensdag 3 juni 2009

call for papers Bordeaux

'Women and freemasonry since the Enlightenment'  - Bordeaux, 17-19 June 2010 - Call for papers

Today women are still largely absent from Masonic lodges. Yet few rational arguments can be summoned to account for such an exclusion. The argument of tradition, which is the most frequently put forward, only holds for Anderson's Constitutions as no such explicit ban against women can be found in the Old Charges. The significance of Elisabeth Aldworth St Leger's initiation by an Irish Lodge is probably more symbolical than historical as it was a single occurrence never repeated. Yet the event was never denied by the Irish masons at the time, although it probably deterred the "brethren" from renewing the experience and mostly reinforced their convictions on the issue of female initiation. Women however did enter the lodges afterwards, first in the lodges of adoption, and later in co-masonry as well as specific female lodges.

The lodges of adoption have sometimes been considered as a low key form of masonry, a kind of ersatz masonry meant to humour women. Yet their importance and significance should not be underplayed as Margaret Jacob and Janet Burke in particular have recently shown. The lodges of adoption which emerged in Holland and France during the Enlightenment highlight the main features of women's commitment in those days, with the same limitations, namely the elitist and aristocratic component. Yet they conveyed some important values, let alone possibly through their rituals, and they allowed women to play an unprecedented part in the public sphere, not unlike the celebrated "French salons".

We may wonder whether those lodges merely reflected the society of their time or whether they anticipated and even encouraged the emancipation of women. How emblematical are they of Enlightenment sociability? Quite significantly the adoption lodges lost lustre at the same time as the Enlightenment. When they emerged again as the Eastern Star in the United States in the following century they were quite different. The nineteenth century Masonic world was predominantly a male one and it would be interesting to find the reasons why. One has to wait till the end of the 19th century to find a female presence again in Masonic lodges with women such as Annie Besant, Madame Blavatsky, Clémence Royer or Louise Michel, sometimes in close connection with the Theosophical Society, as in the case of Annie Besant.

The conference shall endeavour to identify the main evolutions in women's commitment, both through co masonry, which appeared at the end of the nineteenth century and through female lodges which date back to the twentieth century only. All those women fought for equality, but some hoped to reach it alongside with men while others opted for autonomy in separate lodges. We shall try to understand those choices both in terms of structures and rituals. We shall focus on the social composition of co masonry and women's lodges, and try to assess how far they committed themselves to the society of their time or preferred to remain discreet. Women's' lodges developed in some countries only, we shall try to suggest possible explanations for such disparity. Lodges and Grand Lodges as well as individual itineraries will be studied.

The different factors of exclusion need to be addressed:
- the cultural, social and political factor. Is there a direct link between the development of co masonry and women's lodges on the one hand and social progress, women's emancipation and strong feminist movements in the twentieth and twenty first centuries? Why do Scandinavian countries, which have become respectful of women's rights, or the United Kingdom, the Suffragettes' country which enfranchised women long before France, lag behind in terms of female initiation?
- the religious factor. How far does the religious context inform the issue of women's initiation? Can one identify different attitudes in Catholic, Protestant, Islamic or Orthodox countries?
- the Masonic factor : the rift between English speaking freemasonry and "liberal" freemasonry dates back to 1877, when the Grand Orient de France decided to grant complete liberty of conscience to its members instead of imposing a belief in the Supreme being. Curiously enough the issue of women's admission into freemasonry has also been a dividing one ever since that time. English speaking Grand Lodges and their affiliates exclude women, whereas "liberal" ones accept the idea of initiation, even if the statement needs to be qualified for the latter.

Several levels of exclusion can be identified today : women can either be considered as unfit for initiation, which is still officially the case in the United Kingdom, the USA and in all the Grand Lodges which pay allegiance to the United Grand Lodge of England and in the Prince Hall Grand Lodges, or their presence can be accepted and encouraged but in separate organizations, not considered as Masonic but meant to enhance the male lodges through their charity work: this is the case of the Eastern Star chapters. As to the Women Freemasons, they are still deprived of official recognition by the United Grand Lodge of England. Finally, the "liberal" Grand Lodges are themselves divided on the issue of women's admission into the lodges. Some have opted for co masonry; others have put the admission of women on the agenda, while others reject the very notion.
How far can one speak of Masonic universalism, how far does gender inform the Masonic issue? The conference purpose is twofold. It shall address the problem of women's exclusion under its various guises and try to uncover some of the motivations, and it shall also concentrate on the specificity of female freemasonry both in time and space, from the earliest lodges to the modern ones, in Europe, Asia and the Americas. Conversely we shall wonder how feminist criticism has viewed women's freemasonry, from the lodges of adoption to contemporary lodges. The organizers welcome different approaches, and would like the historical and geographical scopes to be broad enough to allow for a better understanding of differences, common points and evolutions.


The conference is the result of cooperation between several research institutes: Lumières Nature Société, Université de Bordeaux 3 sponsored by the Conseil Régional d'Aquitaine; CELFF, CNRS, Université de Paris IV Sorbonne; Laboratoire CIRTAI-IDEES, équipe de l'UMR 6228 (CNRS) Université du Havre; Sheffield Centre for Research into Freemasonry, Université de Sheffield; Centre de recherche sur la franc-maçonnerie; FREE, Université de Bruxelles; Center for the Study of Women, UCLA and Université Sapienza, Rome.

Conference: 'Women and freemasonry since the Enlightenment', 17-19/06/2010, at Bordeaux University and Musée d'Aquitaine. Contact: Cecile.revauger@u-bordeaux3.fr